| |
Het verhaal ‘De zwever’ schreef ik in het najaar
van 2004. In april 2005 schreef ik, samen met John Schoorl, een verhaal over een
Nederlandse soldaat – zoon van immigranten - die in het Amerikaanse leger zat
en sneuvelde in Vietnam. Die waren we toevallig
op het spoor gekomen.
KORPORAAL VAN
STAVEREN IN VIETNAM
Soldaat 2261594 het waren moedige jongens
Door John Schoorl
en Bert Wagendorp
Vandaag
precies dertig jaar geleden kwam met de val van Saigon een eind aan de oorlog in
Vietnam.Theo van Staveren, een Nederlandse jongen, was een van de 58 duizend
slachtoffers aan Amerikaanse kant.
Met
een vliegtuig van United Airlines kwam hij aan op het vliegveld van Salt Lake
City. Het was een zondag, elf dagen na zijn dood. De kist was grijs geverfd en
aan de binnenkant zat karton. Theo van Staveren lag onder glas en hij had een
geleend, blauw uniform aan. Op de kist zat een bordje met de tekst: flag inside.
Hij zag er nog goed uit, Theo, maar dat kwam omdat ze hem hadden gebalsemd met
een dubbele dosis formaldehyde.
En zo, op 21 april 1968, keerde Theo van Staveren terug in Salt Lake City, Utah,
de stad waar hij sinds zijn vijfde had gewoond. Zo kwam er een eind aan zijn
omzwervingen, die hem van Heemstede, bij Haarlem, naar Utah hadden gebracht en
vandaar naar Vietnam, naar An Hoi in de provincie Quang Nam.
Hij zat in de passagiersstoel van een jeep, zijn maat Gordon Walensky reed. Het
was kwart over drie in de middag. Ze waren op weg naar Danang, twintig mijl
verderop. Theo van Staveren was negentien jaar oud en Wally ook. Het was 10
april 1968, een dag na de begrafenis van de vermoorde zwarte dominee Martin
Luther King, wiens dood Amerikaanse binnensteden in vuur en vlam had gezet. Het
was de dag waarop de Tsjechoslowaakse premier Alexander Dubcek zijn
hervormingsplannen presenteerde en de Praagse Lente tot bloei kwam.
Het was een voorjaar om nooit te vergeten. Een lente van hoop, maar nog meer van
geweld. The Doors zongen Unborn living, living, dead/Bullet
strikes the helmet's head/And it's all over/For the unknown soldier.
Het
was allemaal voorbij, voor de onbekende soldaat.
In het voorjaar van 1968 namen overal ter wereld de protesten tegen de
Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam in aantal en felheid toe. In Nederland zong
Boudewijn de Groot onder steeds meer instemming Welterusten, mijnheer de
president, Lennaert Nijghs aanklacht tegen Vietnam. Denk maar niet aan al die
jonge frontsoldaten/eenzaam stervend in de verre tropenn a ch t . De Groot en
Nijgh, twee andere jongens uit Heemstede.
In Haarlem vernoemden ze nog in de maand april als eerste Nederlandse gemeente
een straat naar de vermoorde dominee King.
John van Staveren, Theo's één jaar oudere broer die eigenlijk Jos heette, zag
de kist uit het vliegtuig komen en dacht: 'Waarom niet ik? Waarom niet ik, maar
hij wel?' Jo s en Theo waren een jeugd lang onafscheidelijk geweest; Theo volgde
hem als een schaduw. Ze speelden samen, ze schoten samen, ze honkbalden samen.
Theo was op Granite High een goede honkballer, hij sloeg hard, met links en
rechts. En hij was trouwens ook een talentvol worstelaar.
Vi e t n a m In december 1966 kreeg Jos Theo aan de telefoon. 'Guess what?', zei Theo. 'I am joining the marine corps!' Hij
was net achttien en hij wilde naar Vietnam. Jos probeerde het plan uit zijn
hoofd te praten. Hij zei dat je verdomme wel kon sneuvelen, in Vietnam. Dat het
keihard was en dat ze je in het leger behandelden als een beest. Maar Theo liet
zich niet ompraten.
Theo en Jos zaten samen achter de meiden aan en werden samen dronken. Jos had
een Chevy Convertible uit 1956 en daar toerden ze mee rond. Theo deed het goed
bij de meisjes. Hij was groot en breed en als je hem aanraakte was het alsof hij
van marmer was, zo hard. Drie vriendinnen had Theo, Jos herinnerde zich hun
namen: Herinneringen aan Theo van Staveren uit het familiealbum. Theresa, Sammy
en vooral Susan, een prachtige blondine met wie hij vanuit Vietnam contact bleef
houden. Daar was hij vast en zeker mee getrouwd, als het allemaal anders was
gelopen.
Altijd samen, Jos en Theo. Dat was al zo in Heemstede en dat bleef zo op de boot
die hen naar New York bracht. Twee blonde kereltjes die door iedereen werden
aangehaald. Op 29 september 1954 gingen ze met een open vrachtwagen van Haarlem
naar Rotterdam. Vader Jan en moeder Betsy voorin, de zeven kinderen in de bak.
Jan van Staveren was al 51. Hij had voor de oorlog een aardappelhandel in
Haarlem, erna werkte hij bij Hoogovens.
Als het aan hem had gelegen, waren ze niet gegaan. Betsy was de grote
pleitbezorger van de emigratie. Haar moeder was mormoons en ze was in 1929 al
een paar maanden in de mormonenstad Salt Lake City geweest, maar vanwege de
economische malaise niet gebleven. Ze bleef terugverlangen naar de ruimte en het
licht van het Westen en de belofte van welvaart die er in de lucht hing.
De laatste twee maanden in Nederland woonden ze met z'n allen bij een oom en
tante in een klein huisje Haarlem. Alle kinderen lagen op een rij in de
huiskamer. Kleine Theo was de dondersteen met de overal dwars doorheen kijkende
groen-blauwe ogen, zijn nichtje Ann herinnerde het zich ruim een halve eeuw
later nog precies.
De kinderen, zei moeder Betsy, hadden een betere toekomst, in Amerika. Twee
meisjes, Bea en Carla, vijf jongens, Jan, Aart, Eric, Jos en Theo. De oudste,
Jan, was vijftien jaar en zat op de ambachtss ch o o l .
Zeeziek In Rotterdam gingen ze aan boord van de Sibajak, die een lijndienst
onderhield op New York. Vader Jan sliep met de oudste twee jongens voor in het
schip, moeder Betsy verbleef met de meisjes en de drie jongste jongens
midscheeps. De reis duurde elf dagen: onderweg stormde het heftig en iedereen
was zeeziek. Overal stonden volle kotsbakken. Vader Jan zei elke avond: Laten we
maar naar bed gaan, morgen is het vast rustiger. Op zaterdag 9 oktober
arriveerden ze in New York, in Hoboken. Vandaar namen ze een taxi naar Grand
Central Station.
Jan jr. keek zijn ogen uit. Hij had gedacht dat alles in Amerika nieuw zou zijn.
Alles, de huizen, de wegen, allemaal spiksplinternieuw. Maar New York zag er
meer uit als een van die vervallen Engelse industriesteden waarvan hij wel eens
foto's had gezien.
Diezelfde zaterdag trokken Franse troepen zich terug uit Hanoi en werd na
tachtig jaar de Franse vlag gestreken in de vroegere hoofdstad van Frans
Indo-China. De soldaten van de communistische Vietminh marcheerden de stad
binnen. Tienduizenden Vietnamezen sloegen op de vlucht naar het zuiden. De US
Navy hielp bij hun evacuatie. Het was voor het eerst dat het Amerikaanse leger
zich met het Vietnamese conflict bemoeide.
Theo van Staveren meldde zich begin 1967 als vrijwilliger voor Vietnam. Dat was
minder vreemd dan het leek. In de eerste plaats was hij, ook al was hij dan
Nederlander, als resident alien in de VS dienstplichtig. En dienstplichtigen
kwamen als kanonnenvoer bij de infanterie. Als vrijwilliger kon hij zijn eigen
voorkeur aangeven: het US Marine Corps, de Leatherbacks, de harde jongens. En
daarnaast was 'Vietnam' voor een Amerikaanse teenager in 1968 een alledaagse
realiteit, een alternatief voor studie of werk. En je zag nog eens wat van de
wereld, op kosten van de staat. In hun wijk, in South Second East Street in de
zuidelijke suburb van SLC, waren veel leeftijdgenoten van Jos en Theo al in
Vietnam. Je kon het merken op straat, het was er rustig.
Jos had ook de indruk dat Theo zich verveelde. Hij werkte zo nu en dan bij een
benzinestation, wist niet precies wat hij wilde. Geld voor een opleiding was er
niet. In het leger wist je in elk geval waar je aan toe was. En hij helemaal,
want zijn broer Eric was in het begin van de jaren zestig in Korea geweest. Veel
rotzooi meegemaakt. Eric kwam terug als stotteraar.
Maar wat zegt dat je, als je negentien bent. Dan ben je een optimist en bestaat
de dood niet, laat staan stotteren van ellende.
Eric, die had trouwens nog verkering gehad met een meisje van Wolterman. Een
Nederlandse familie van wie de zoon, Gerard, later ook naar Vietnam ging.
Moeder Betsy en Bea waren bang, toen ze het hoorden. Dat Theo het niet zou
overleven. Dat hij zijn Nederlandse staatsburgerschap zou verliezen, door in het
Amerikaanse leger te gaan. Ze waren bang dat de Vietcong hem gevangen zou nemen
en hem als spion zou executeren - een spion zonder land.
Te t -o f f e n s i e f Het was 1968, er zaten een half miljoen Amerikaanse
soldaten in Vietnam. De Noord-Vietnamezen hadden in januari het Tet-offensief
gelanceerd. Langzaam maar zeker begon in Amerika het gevoel te ontstaan dat ze
bezig waren met een oorlog die ze niet konden winnen. Walter Cronkite, hét
journalistieke gezicht van de Amerikaanse tv, zei het. Presidentskandidaat Bobby
Kennedy zei het. Woedende studenten op de universiteiten schreeuwden het.
En de Amerikanen meenden het te zien op de televisie, dat het een steeds
hopelozer missie aan het worden was. Eind januari zagen ze de beelden van
Vietcong-guerrilla's die hun ambassade in Saigon binnenvielen. Ze zagen steeds
meer verschrikkelijke beelden uit Nam, want die begon zich nu pas echt te
ontwikkelen tot de eerste tv-oorlog in de geschiedenis.
Het Tet-offensief was militair gezien een ramp voor de Vietcong, die zich nooit
meer helemaal zou herstellen van de geleden verliezen - de helft van de
strijders, 45duizend man, kwam om het leven. Maar vanuit een ander gezichtspunt
was de aanvalsstrategie een fenomenaal succes. Het offensief, dat duurde van
eind januari tot begin april, brak het Amerikaanse moreel, in Vietnam en in de
VS zelf. In 1968 kwamen 14.594 Amerikanen om het leven, bijna evenveel als in de
oorlogsjaren 1965, 1966 en 1967 bij elkaar.
'We moeten Noord-Vietnam de oorlog verklaren', had de gouverneur van Californië,
Ronald Reagan, in 1965 nog verklaard. 'We kunnen het hele land asfalteren, er
parkeerstrepen op aanbrengen en voor Kerstmis weer thuis zijn.' Een tamelijk
foutieve inschatting, realiseerden steeds meer Amerikanen zich in de loop van
1968.
Van Grand Central Station namen ze de trein naar Chicago. Daar stapten ze op
Halsted Street Station in the California Zephir naar Denver, waar ze de trein
namen voor het laatste stuk naar Salt Lake City. Drie dagen duurde de treinreis.
Theo en Jos renden voortdurend door de trein, op zoek naar de restauratiewagen,
want daar kregen ze meestal wel iets te eten. Jan junior keek met zijn broer
Aart naar buiten en ze vroegen zich af waar de indianen en de cowboys bleven -
maar die kwamen niet.
In Salt Lake City trokken ze tijdelijk in bij een oom van hun moeder, die er ook
voor had gezorgd dat een arts en een tandarts financieel borg hadden gestaan
voor de immigranten. Vader Jan ging de volgende dag direct aan het werk in de
appelpluk en moeder Betsy begon in een kledingfabriek, waar ze confectiepakken
naaide. Later ging vader schoonmaken op een school en moeder aan de slag als
verpleegster in een kraamkliniek.
Ze hadden het niet breed, maar ze waren in Amerika. Later huurden ze een klein
huisje in Eamesville, tegen de stad aan. Theo ging voor halve dagen naar de
Kindergarten, waar zijn zusjes Carla en Bea hem na schooltijd kwamen ophalen.
Bea was vier jaar ouder, maar ze beschouwde Theo als haar kind, haar baby
brother.
Op 24 februari 1967 werd Theo van Staveren officieel marinier en begon hij aan
zijn opleiding. In de zomer en het najaar van 1967 zat hij in Camp Pendleton,
tussen Los Angeles en San Diego. Hij had vage plannen om het Amerikaans
staatsburgerschap aan te vragen, maar liet het erbij.
Theo's oudste broer Jan woonde inmiddels in Newport Beach, Californië. Elke
vrijdag reed hij vandaar naar het opleidingskamp en haalde hij Theo op om het
weekeinde bij hem en zijn gezin door te brengen. Maar op een vrijdag in november
kwam Jan tevergeefs: Theo's eenheid, het zevende bataljon communicatie van de 1e
mariniersdivisie , vertrokken. was naar Vietnam
Op 25 november 1967 arriveerde Theo van Staveren in Vietnam. Vier dagen eerder
had generaal William Westmoreland verklaard er zeker van te zijn dat de vijand 'aan
de verliezende hand was'.
Theo stuurde een brief naar zijn oudste broer. Dat hij de radioman van zijn
eenheid was geworden en dat er een hele squad was om hem te verdedigen. Ze
hadden hem gekozen omdat hij sterk genoeg was om de 35 kilo wegende radio-apparatuur
mee te zeulen. Theo maakte, met Gordon Walensky en Dennis Wright als enige
andere Amerikanen, deel uit van de Zuid-Koreaanse Chung Young brigade - de
Koreanen vochten in Vietman aan de zijde van de Amerikanen.
Theo schreef dat de Vietcong op een avond weer was gekomen en dat er was
gevochten tot aan beide zijden de ammunitie op was. 'We
ended up throwing stones at each other.' Hij vroeg zich af waarom de vijand het
altijd op hem had gemunt en vermoedde dat het was omdat hij nogal opviel, met
zijn 1.90 meter en blonde Hollandse kop tussen die kleine donkere Zuid-Koreanen.
Jos
kreeg in brieven de hardere kant van Theo's leven in Vietnam te lezen. Dat hij
deel uitmaakte van een search and destroy-eenheid. Hoe ze de Vietcong moesten
opsporen en vernietigen. Hoe hij napalm sprayde zonder zich al te druk te maken
over mensen in bomen of rijstvelden. Hoe hij een killer was geworden met zijn
automatisch geweer als zijn beste vriend.
Zijn zus Bea zag op de foto's die hij stuurde uit Vietnam een ander persoon dan
de Theo die een paar maanden eerder was vertrokken. Er was een vreemde, koude
blik in zijn ogen gekomen. In die heldere groen-blauwe Van Staveren-ogen van
hem. Hij was ouder geworden. Bea dacht: Hij is zijn onschuld verloren. Aan Jos
schreef Theo dat hij zich verschrikkelijk voelde, maar ook dat hij woedend was
om zijn neergeschoten kameraden en dat hij die wilde wreken.
Theo, dacht Jos, was niet meer de zachtaardige jongen uit Salt Lake City, die de
geit en de eenden eten ging geven.
In de eerste maanden van 1968, toen het Tet-offensief de Amerikanen verbijsterde,
zat Theo van Staveren uit Heemstede op Hill 34, ten zuiden van Danang, bij de
dorpjes Fong Bac en Yen Bac. Elke dag werd het kamp getroffen door granaten,
elke dag waren er pogingen van de Vietcong om het kamp binnen te dringen. Met
Gordon Walensky en Dennis Wright liep Theo patrouilles. Lange dagen van
verveling, afgewisseld door korte momenten van pure angst.
Nieuwsgierigheid Waarom hij, als Nederlands staatsburger, in godsnaam bij de
mariniers was gegaan met de bedoeling naar Vietnam te worden gestuurd, vroeg
Dennis Wright hem op een dag. Theo antwoordde dat hij wilde weten hoe dat was,
oorlog. Dennis herinnerde zich Theo 37 jaar later als een intelligent en
zorgzaam persoon, met de nieuwsgierigheid van de jeugd.
De Heemsteedse rooms-katholieke familie Van Staveren ging in Salt Lake City over
op het geloof van Betsy's moeder en werd mormoons. Behalve vader Jan. Die had er
geen trek in. Die had toch al grote moeite zich aan het nieuwe land en het
nieuwe leven aan te passen. Zijn Engels zou altijd erg matig blijven en hij zou
zich nooit helemaal thuisvoelen in Amerika. Later keerden ze zich van de
mormonen af, alleen Jan jr. bleef die kerkgemeenschap trouw.
In het begin hadden ze het overigens allemaal moeilijk, in Salt Lake City. Ze
werden door iedereen in de buurt beschouwd als outsiders, als niet-Amerikanen
die even de baantjes kwamen inpikken. Twee huizen verderop woonde een man die
hen echt als stront behandelde. 'Go back!', schreeuwde hij, als Jos en Theo
voorbijkwamen.
Later, nadat Theo was gesneuveld, kwam hij zijn excuses aanbieden voor het feit
dat hij zo rot had gedaan. Nu Theo voor Amerika was gestorven deugden ze opeens,
de Van Staverens. 'Wat ben jij voor een man?', dacht Jos.
Gordon Walensky, de joodse jongen uit Minnesota, en Theo van Staveren, de rooms-katholieke
mormoon uit Heemstede, Holland, leken wel broers, zei Dennis Wright. Ze waren
altijd bij elkaar. Walensky was een paar maanden jonger dan Van Staveren.
Moedige jongens waren het en Dennis Wright mocht ze graag.
Wie van het Koreaanse kamp bij An Hoi naar Danang wilde, moest bij het
benzinestation in de buurt op een konvooi wachten. Maar toen Theo van Staveren
en Gordon Walensky op de middag van 10 april naar het hoofdkwartier van het
hoofdkwartier van het zevende communicatie-bataljon gingen, besloten ze niet de
weg, maar het strand te nemen. Danang leek dichtbij, vanuit het kamp aan de kust
kon je de stad zien liggen.
In de buurt van het dorp Tra Lo werden ze doodgeschoten door de Vietcong. Theo
van Staveren kreeg een kogel in zijn borst.
Outside in the distance a wildcat did growl/Two riders were approaching, the
wind began to howl, zong Bob Dylan in All along the watch tower, die maanden een
veelgedraaid nummer op AF VN, de radiozender van de Amerikaanse troepen in
Vietnam.
Op 11 april arriveerde een telegram met de rampzalige boodschap uit Vietnam bij
Jan en Betsy van Staveren in Salt Lake. Later kwam een legerofficier het nieuws
persoonlijk bevestigen. Betsy van Staveren was hysterisch van verdriet. Jan van
Staveren werd zo ongelooflijk kwaad dat het weinig had gescheeld of hij had de
officier het huis uitgesmeten.
Jan van Staveren had het er ongelooflijk moeilijk mee. Theo was zijn
lievelingszoon, zijn benjamin. Hij zei het die dag en hij zou het nog vaak
herhalen: 'Waren we nou maar niet naar Amerika gegaan.' Betsy zei dat ze had
gedroomd dat het zou gebeuren, dat ze het had voelen aankomen, dat ze hem had
gezien, in de jeep. Ze zei dat Theo nooit had mogen gaan, dat hij een Hollander
was die niks in een Amerikaanse oorlog had te zoeken. Ze had hem gezien, Theo,
op weg naar de dood.
Jan belde zijn dochter Bea, die inmiddels Hardison heette en 250 mijl verderop
woonde, in Idaho. 'Meisje', zei hij in het Nederlands, 'your baby brother is
dead.'
Jos van Staveren reed samen met zijn vriendin naar huis in een Volkswagen. Op de autoradio zongen Simon & Garfunkel America : They've all gone
to look for America/All gone to look for America.
'Arme
Theo', was het eerste wat Jan jr. dacht toen hij het hoorde. 'Helemaal alleen
gestorven. Wat als hij nog even heeft geleefd? Hoe zijn dan zijn laatste minuten
geweest?' Hij wist toen nog niet dat Gordon Walensky erbij was.
De begrafenis was op 25 april, de verjaardag van Betsy. Als afgevaardigde van
het leger was er een korporaal van de mariniers die gewond was geraakt in
Vietnam. Ze speelden mariniersmuziek, al had Theo volgens Jos liever The Beatles
gehoord. De dienst was in een volgepakte kerk. Bea Hardison merkte er weinig
van, ze zat onder de tranquillizers.
Tussen Theo's spullen die ze later uit Vietnam kregen toegestuurd, zat een
Koreaans uniform. Ongelooflijk, dacht Jos van Staveren. Emigreert een Heemsteeds
jongetje naar Amerika om in Vietnam te worden doodgeschoten in een Koreaans
uniform.
Gemeentehuis In de zomer van 1970 gingen Jan en Betsy van Staveren voor de
eerste keer terug naar Nederland. Het ging niet goed met Jan, hij had
longemfyseem. Betsy ging naar het gemeentehuis in Heemstede om aangifte te doen
van de dood van haar zoon Theo. Maar de ambtenaar zei dat dat niet kon, dat er
in de burgerlijke stand van Heemstede geen Theodorus Daniel van Staveren meer
bestond.
Jan van Staveren overleed in september van dat jaar.
In 1969 kreeg de statenloos gestorven Vietnamsoldaat Theo van Staveren, dankzij
een speciale Senaatswet, alsnog de Amerikaanse nationaliteit. Vooral zijn moeder
had zich daarvoor ingezet. Het verzachtte haar schuldgevoel. Ze was voor haar
kinderen naar Amerika gegaan, en nu had ze een van hen naar een oorlog gebracht
en naar de dood. Ze overleed in 2 0 0 0.
Jos van Staveren dacht nog vaak aan zijn broer. Hoe die stomme oorlog hen uit
elkaar had getrokken. Soms bezocht hij Theo's graf op het Mount Cavalry Cemetery
in Salt Lake City. Twee graven verderop lag Gerard Wolterman, zeven maanden na
Theo ook gesneuveld in Vietnam.
Bea Hardison vond in 1968 al dat Theo voor niks was gestorven en dat vond ze in
2005 nog steeds.
Jan jr. had de rondreizende kopie van de Memorial Wall in Washington gezien, met
daarop de namen van de ruim 58 duizend Amerikaanse doden uit de Vietnamese
oorlog. Theo van Staveren stond erop, panel 49E, regel 012.
Op 1 april 1968, negen dagen voor zijn dood, stuurde hij zijn laatste brief aan
zijn vader en moeder. Eigenlijk had hij geen tijd om te schrijven, meldde Theo.
'De Vietcong houdt ons de laatste tijd behoorlijk bezig.'
Hij schreef dat hij zich op verlof in Hong Kong een pak had laten
aanmeten dat naar Salt Lake City zou worden gestuurd. Of mamma hem wilde laten
weten als het was aangekomen.
|