Website Uitgeverij De Geus

 

 
DE AUTEUR
 
Titels
 
iNTERVIEW
 
EEN FRAGMENT
 
De pers

 

 

 

Fragment uit De zelfmoordacademie

De verzengende zon stond hoog in de hemel toen ik mijn ogen opende. Er was een nieuwe dag aangebroken. Ergens in de verte kon ik de artilleriebatterijen en machinegeweren horen, maar hier om me heen was alleen stilte. Het veld was overdekt met lichamen van mannen en dieren. Losse armen, benen en andere lichaamsdelen lagen over het veld verspreid. Ik hoorde een zachte kreet. Iemand riep om hulp. Het kon ook de wind zijn, ik wist het niet zeker. Ik was duizelig en mijn gezichtsvermogen was beperkt. Ik sloot mijn ogen weer.
Van achter hoorde ik voetstappen naderen. Iemand knielde naast me en raakte mijn nek aan. Hij goot water op mijn gezicht en veegde mijn oogleden schoon. De vreemdeling tilde mijn hoofd op en legde het in zijn schoot. Ik opende mijn ogen en keek omhoog in zijn lichtbruine ogen. Hij was knap als een filmster en rook naar parfum. Hij hield zijn waterfles voor mijn mond en hielp me met drinken. Ik nam een paar haastige slokken water, dat naar rozemarijn smaakte.
‘Ben ik dood?’ vroeg ik hem.
‘Sjjj’, siste hij.
‘Wie ben je? Wat doe je hier?’
‘Ik ben een vriend’, zei hij en hij legde een hand op mijn voorhoofd. ‘Ik heb naar je gekeken. Ik bewonder je moed. Je bent een ware gelovige.’
‘Ben je de Twaalfde Imam? De Verlosser?’
Hij aarzelde een moment, keek me direct in de ogen, en knikte.
‘Dat betekent dat ik dood ben’, zei ik opgewonden. ‘Je bent zeker gekomen om me naar het paradijs mee te nemen.’ Ik draaide mijn hoofd abrupt om rond te kijken, en er schoot een kramp door mijn nek.
‘Rustig’, fluisterde hij.
Hij bracht de waterfles opnieuw naar mijn lippen. Ik nam nog een paar slokken terwijl ik naar hem op keek. Toen keek ik weer om me heen.
‘Wat zoek je?’ vroeg hij.
‘Als ik dood ben waar zijn dan de tweeënzeventig maagden?’
Hij lachte even, en ik zag duidelijk dat een van zijn voortanden van goud was. Hij hield op met lachen, en zijn dikke bruine lippen bedekten opnieuw zijn voortanden. Ik wilde nog een vraag stellen, maar mijn lijf trilde te veel. Mijn hartslag was gedaald, en mijn buik voelde vreemd weeďg. Ik wist dat ik zou gaan flauwvallen. Ik verzamelde de laatste restjes energie en keek nog een keer naar het gezicht van de heilige man voordat ik in de zwarte poel van het niets afgleed.

Fragment uit Een goede dag om te sterven

Kapitein Rian liep langs de linies, moedigde de mannen aan, en riep hen op om te vechten. Zijn stem klonk dreigend.
Hij begreep dat we waarschijnlijk snel omsingeld zouden worden, en gevangengenomen of misschien wel gedood.
Iedereen wist dat gevangengenomen worden door Arabieren martelingen en een langzame dood betekende. Kapitein Rian keek met zijn verrekijker over het hele slagveld. Zijn mond viel langzaam open. De strijd was verloren.

Misschien dacht hij dat hij, een voorbeeldige officier met jaren in actieve dienst die nog nooit een strijd had verloren, op het hoofdkwartier verantwoordelijk gesteld kon worden wegens nalatigheid en inefficiëntie. Hij liep met grote passen tussen de troepen door en begon te roepen: ‘Vecht voor Allah! Vecht voor de islam! Wees dapper.’
Toen hij zag dat de soldaten zich terugtrokken, rende kapitein Rian achter hen aan en riep dat ze terug moesten keren naar hun positie of anders voor de krijgsraad moesten verschijnen. Hij bleef schreeuwen maar kromp al snel ineen door een hoestbui. Toen hij zag dat zijn dreigementen niets uithaalden, greep hij een bange soldaat vast en duwde hem terug naar de zandzakken. ‘Je moet hen tegenhouden!’ riep hij. ‘De Zesenzestigste Infanterie heeft zich nog nooit teruggetrokken. Jullie zullen niet de eersten zijn die ons te schande maken. Ga terug! Vecht en sterf als een martelaar! Allah zal.’ Maar hij kon zijn zin niet afmaken. Een granaat landde waar hij stond en hulde hem in zwarte rook.

De vluchtende soldaten hielden stil en staarden naar de rookkolom. Er werd niets gezegd of geroepen. Iedere man hield zijn adem in, alsof hij bang was ook maar enigszins bij te dragen aan de wind die de ongelukkige man heen en weer deed zwaaien. Alleen de radio kon niet stil blijven: ‘Hou stand tot de laatste man! Ik laat elke officier die zijn eenheid om wat voor reden dan ook terugtrekt voor de krijgsraad verschijnen!’

Kapitein Rian lag op zijn rug. Aanvankelijk leek hij dood te zijn. Maar toen bewoog hij zijn hoofd. Hij opende zijn mond. Wijd open, alsof hij alle lucht, aarde en mannen in de buurt in wou slikken, allemaal tegelijk. Hij rolde zich op zijn zij. De linkerkant van zijn ribbenkast was opengescheurd, alsof wolven erop gekauwd hadden. Hij gebruikte een arm om op zijn knieën te gaan zitten. Hij probeerde op te staan, maar zakte terug op de grond. Zijn levenloze ogen waren een teken van overgave van de fatalist die zijn laatste kaart had uitgespeeld tegen het lot en had verloren.

Kapitein Rian tilde een met bloed bedekte arm op en betastte zijn nek en borst. Zijn vingers zochten iets wat hij niet kon vinden. Hij probeerde iets te zeggen. Verscheidene malen opende hij zijn mond, maar hij kon geen woord uitbrengen. Een straaltje bloed liep uit zijn mondhoek. Tranen rolden over zijn stoffige gezicht.
‘Zeg het! Wat wilt u dat we doen?’ vroeg Ramin en hij leunde over hem heen.
Kapitein Rian deed zijn ogen open en staarde in het niets. Ik wist niet zeker of hij nog iets kon zien. Toen opende hij zijn mond en zei al stuiptrekkend: ‘S...sl...sleutel...’
‘Wat?’ vroeg Ramin. De lucht was vol explosies en het was moeilijk te verstaan wat hij zei.
‘Sleutel!’ zei kapitein Rian met bovennatuurlijke kracht.
‘Wat zegt hij nou toch?’ vroeg een soldaat geërgerd.
‘Hij wil de sleutel. Je weet wel, de sleutel van de hemel’, antwoordde een andere soldaat.
Alle leden van het Revolutionaire Leger en van de basiji-militie droegen een sleutel om hun nek. Ze geloofden dat ze, als ze als martelaar waren gestorven, naar de hemel zouden gaan. De magische sleutel zou de deur openen. Die sleutel was cruciaal, zonder de sleutel konden ze de hemel niet in.

Ramin voelde aan kapitein Rians nek en zocht in zijn zakken, maar hij kon de sleutel niet vinden. De explosie had de sleutel waarschijnlijk van zijn nek afgetrokken. We begonnen op de grond om ons heen te zoeken. Het was bizar.
In plaats van dekking zoeken, of de vijand bevechten of wegrennen, riskeerden we ons leven om een sleutel te vinden. Niemand gaf echt om kapitein Rian of om zijn idiote ‘sleutel-van-de-hemel’-ideologie, maar we voelden ons allemaal verplicht om te voldoen aan zijn laatste verzoek. We bleven zoeken, maar de sleutel werd niet gevonden.
Kapitein Rians situatie verslechterde. Hij bleef maar mompelen, en het gesputter in zijn keel kondigde zijn laatste adem aan. Hij slingerde op de grond, en verloor zo nu en dan het bewustzijn. Zijn oogleden trilden en zijn lippen krulden om. Diep gekreun welde uit hem op.
‘Ik heb hem gevonden’, riep Ramin. Hij hurkte naast kapitein Rian neer en haalde een sleutel uit zijn eigen zak.
‘Hier is uw sleutel’, zei hij tegen de kapitein. ‘Ik heb hem gevonden’.
Kapitein Rian hield de sleutel losjes in zijn vuist en zijn gezicht ontspande zich. Zijn ogen waren gericht op een punt in de verte, een starende blik die zich scheen te concentreren op een of ander mysterieus object. Hij wachtte geduldig op iets wat hij had ontmoet. Hij bevond zich op de ontmoetingsplaats. Even later hield hij op met ademen. Hij stierf rustig, als een blad dat van een boom valt op een windstille dag. Zijn lichaam lag uitgestrekt in de houding van een vermoeide, slapende man.
Als bezoekers van een tentoonstelling omringden wij het dode lichaam van de kapitein, starend naar het lijk van een man die wij vreesden. Een soldaat stootte zachtjes met de neus van zijn laars tegen het lichaam, om zich ervan te verzekeren dat hij dood was. We waren bang dat het lichaam, zodra we ons omdraaiden, zou opspringen en achter ons aan zou rennen. Het was moeilijk te geloven dat een man als Rian kon sterven, maar de kapitein was zonder twijfel morsdood.
Ik kende hem nauwelijks, wist niets van zijn gedachten, zijn gevoelens of zijn ideeën. Maar ergens voelde ik mij verbonden met hem. Hij stierf zoals hij leefde. Hij stierf voor een niet bestaand doel zoals hij leefde voor een niet bestaande liefde. Ik had medelijden met de man die werd bedrogen en verraden door de wereld. Ik dacht ook aan Hannah, zij het met gemengde gevoelens. Enerzijds voelde ik droefheid voor haar. Ze was zo jong en was net weduwe geworden. Anderzijds kon kapitein Rians dood een oplossing voor haar gearrangeerde huwelijk betekenen, een toegangsbewijs tot vrijheid.

Het was me een raadsel, maar tot op dat moment had ik me nooit gerealiseerd wat het betekende om te sterven, om een gezonde, denkende man te vernietigen. Nog geen minuut geleden was deze man net zo springlevend als wij. Alle organen in zijn lichaam werkten nog: voedsel werd verteerd, huid werd vernieuwd, haar groeide, weefsel werd gevormd. Hij had alle aangeboren vermogens om deze wereld te zien, horen, voelen, onthouden en begrijpen. En in minder dan een minuut, in één klap, was hij weg. Een geest minder, een wereld minder.

‘Die sleutel was niet van hem, of wel?’ vroeg ik Ramin terwijl we dekking zochten achter de zandzakken.
‘Nee’, zei hij en hij keek naar de vijand vanonder de rand van zijn helm. ‘Die sleutel was van mijn huis.’ Hij glimlachte. Ik denk dat ik toen ook glimlachte. ‘Het maakt echt niets uit. Als er een hemel is, zal die sleutel de poort openmaken. Waarom is die poort eigenlijk op slot?’ ging hij verder.
‘Hij is nu dood. Je kunt misschien maar beter je sleutel terughalen, anders kun je straks je huis niet meer in als je thuiskomt’, zei ik.
‘Laat hem die sleutel maar houden. Ik denk niet dat ik hier levend wegkom’, zei hij.

 

uitgeverij De Geus