Website Uitgeverij De GeusWebsite Uitgeverij De Geus
 
DE AUTEUR
 
In handen van de taliban
 
Fragment
 
Nieuws / agenda
 
Uit het geuzennieuws
 
De pers
 

 



Fragment

Dag een
Ik ga dood. Ik ben Joanie de Rijke, een Nederlandse in Afghanistan die volgens de taliban spioneert voor de Fransen. Daarom moet ik eraan. Mijn kop moet eraf. Letterlijk. Onthoofden is de gepaste straf voor spionnen vinden de taliban. Het mes tegen je strottenhoofd onder het geroep van Allah Akbar. Steeds sneller, opzwepender, als een bezeten geleide naar de dood. Allah Akbar, Allah Akbar, Allah Akbar … Zullen ze het in één vlijmscherpe haal doen of moeten ze zagen?

Ik heb de internetfilmpjes over onthoofdingen nooit tot het einde willen uitkijken. Vanmorgen nog gaf de zoon van Sher Mohammed, onze tussenpersoon voor de taliban, zijn mobiele telefoon aan mijn tolk Zaheer om hem iets te laten zien. Zaheer zat naast me, onze benen broederlijk onder een deken. Ik hoorde talibanmuziek uit het telefoontje, en ik hoefde niet te kijken om te weten wat voor beelden er werden getoond. De gebeden zwollen aan, stemmen riepen door elkaar. En dan, het aanroepen van Allah. Als in trance. Paniek vlamde in me op. We waren aan het wachten tot we opgehaald zouden worden door een beruchte groep taliban. Mannen die onlangs tien Franse paracommando’s hadden gedood, aanslagen pleegden op militaire konvooien en vrachtwagens met brandstof in de fik staken. Bepaald geen brave huisvaders. Een leven meer of minder kon ze niets schelen. Ik zou een verhaal over hen maken. Maar om vlak voordien naar een onthoofding te kijken, leek me geen goed idee. Waarom gaf Sher Mohammeds zoon dat filmpje aan Zaheer? Was het een waarschuwing, een dreigement? ‘Omdat hij mijn vriend is’, had Zaheer laconiek geantwoord.

Ik denk dat mijn tolk er wel lol in had om mij via enge filmpjes angst aan te jagen. Hij had me al een paar keer met een monkelend lachje grove zelfmoordacties van moslimfundamentalisten getoond. De zoon van Sher Mohammed wilde waarschijnlijk gewoon indruk maken. Niet te veel achter zoeken dus. Toch was het blijven hangen, als een zwak alarmsignaal in mijn achterhoofd.

En nu, uren later, is het verdomme realiteit. Mijn hoofd en dat van Zaheer moeten rollen omdat talibancommandant Ghazi Gul tot de conclusie is gekomen dat we hier zijn om informatie te verzamelen en die aan de Franse militairen door te geven. Ik zit met mijn rug tegen een metershoge rotswand, ingesloten in een smalle bergpas aan de voet van de machtige bergen die Ghazi’s vallei omringen. De zon komt hier niet. Het is 1 november en ze staat al te laag om haar licht over de steile pieken uit te sturen. De rotsachtige hellingen zagen er daarstraks nog zo uitnodigend uit. Het avontuur lonkte. Nu zijn ze beklemmend. Kil en onverbiddelijk. Af en toe baant een stoffige streep licht zich een weg door de bladeren van de paar boompjes boven op de hoge rots en tekent vlekjes op het grijszwarte gesteente. Het is een uur of drie in de middag schat ik. We zijn te voet de bergen in gegaan, na een lange woeste rit vanaf Sher Mohammeds huis in Sorobi, vijftig kilometer westwaarts van Kaboel, tot vlak voor de bergpas. Zaheer, ik, Sher Mohammed, zijn zoon en twaalf talibanstrijders met hun kalasjnikovs, granaatwerpers en het lichtelijk gehavende machinegeweer dat ze van de dode Franse para’s hebben geroofd. We zijn de eerste grote rotsblokken over geklauterd. Pratend, lachend, grappen makend. Niets wees erop dat de stemming plots zou omslaan. Tot we een bocht namen en de hoge rotsen ons insloten. Als er al iemand aan de voet van de bergpas stond te kijken, dan kan hij ons nu in elk geval niet meer zien. Het is de ideale plek om iets uit te spoken wat niet geweten mag worden. Ghazi heeft het goed gepland. De gemaskerde commandant beent geagiteerd heen en weer en spreekt snel. Zijn stem is zacht en slepend. Ik ben geen journalist die een reportage over zijn talibanstrijders komt maken. Ik ben de vijand.