|
Fragment
uit Ik zag een aap
Honeysuckle Cottage, Mount Nelson Hotel, de Moederstad, januari
2008
Beste Hunter,
Waarom is het mijn lot, waar ook ter wereld, nooit kalmpjes een
kopje koffie te kunnen genieten in het zonnetje, maar altijd in
groezelige bars te worden besprongen door uitheemse hoeren?
Dit keer zou alles anders zijn, nam ik me voor, en meteen was
alles hetzelfde. Dit keer zag ik mezelf voor een paar kwartjes
een flesje Windhoek Lager drinken in het luidruchtige jazzcafé
Jo’burg in Langstraat, terwijl een dikke prostituee het
nodig achtte om elke keer als ze me op weg naar de wc passeerde
mijn kruis te bepotelen.
Hoe dat zo? Zeg jij het maar.
Nog voor ik die even elementaire als levenslustige vraag aan iemand
kon stellen, sloeg een bezoekster met een volle fles Castle tegen
het voorhoofd van het heelheelheel erg leuke meisje dat naast
me aan de bar zat (en met wie ik tot dat moment zat te babbelen).
Uit een wenkbrauwwond spoot subiet een golf bloed, zo, flops,
op de bar. De aanvalster vluchtte, rende naar de deuropening,
waar ze nog net bij haar lurven werd gegrepen door de portier,
die daarvoor niet eens van zijn barkruk afkwam. Pluk.
Ik liep door Jo’burg naar voren – druk was het er
niet – naar de straatkant. Men is verslaggever of men is
het niet.
De portier hield de jonge vrouw vast, hij wenkte de surveillerende
politie, waarop de politiemensen uit hun wagen stapten (wagens
die hier achterop steevast een arrestantenhok hebben, een soort
bakkies met opbouw). De aanvalster draaide zich om, rukte
zich los en rende weg. Dat frappeerde me. Helemaal goed wijs kan
ze niet zijn geweest, maar ze zag haar kans schoon. Vijftig meter
verderop werd ze alweer klemgereden door het bakkie van een particuliere
bewakingsdienst. De agente haalde haar zodoende in en pakte haar
arm vast. Aan de barvrouw vroeg ik, tegelijkertijd mimend met
mijn wenkbrauwen: ‘Is dit normaal?’
‘Dat doet ze nou altijd als ze hier is.’
‘Waarom laat je haar dan binnen?’ De jazzband op het
podiumpje was niet gestopt met spelen en zette, vraag de Heer
waarom, ‘Son of a Preacher Man’ in.
Op mijn vraag kwam geen antwoord; vragen zijn in Zuid-Afrika wel
te stellen, maar antwoorden zijn dikwijls niet voorhanden.
Met wc-papier stelpten het barmeisje en ik de wond van het slachtoffer;
precies voor de geopende deur werd de naar de plaats delict teruggevoerde
aanvalster op de stoep toegesproken door de agente. Er kwamen
nog wat meer fluorescerend geklede beveiligingstypes kijken; de
aanvalster deed nog een uitbraakpoging of wat; het bloeden viel
te stelpen, al ging het niet een-twee-drie; ik bestelde twee Windhoekies
– een voor het slachtoffer, een voor mij.
Zo liep het af. Er was geweld, er vielen gewonden, het was schandalig
en het tartte het rechtvaardigheidsgevoel, maar vergelding, genoegdoening
of wraak bleef uit – het was, al wist ik dat toen nog niet,
typisch Zuid-Afrikaans (ja, het was natuurlijk in de eerste plaats
een kroegruzie).
|
|
|
|






|
|