|
Fragment uit Blauwvos
Blauwvossen lijken merkwaardigerwijs zo veel op stenen,
dat je je er eigenlijk over zou moeten verwonderen. Als ze er ’s
winters tegenaan liggen is het ondoenlijk ze te onderscheiden van
de rotsen zelf, lastiger zelfs dan de witte poolvossen, die altijd
een schaduw geven of geel afsteken tegen de bevroren sneeuw.
Een blauwvos ligt dicht tegen haar steen en laat de sneeuwstorm
aan de loefzijde over zich heen komen. Ze keert haar gat in de wind,
rolt zich op en steekt haar neus onder haar achterpoot; ze laat
haar oogleden zakken zodat je amper nog haar pupil kunt zien. Op
die manier houdt ze de man in de gaten, die zich niet heeft verroerd
vanaf het ogenblik dat hij onder de overhangende sneeuwhoop ging
liggen, hier op de hoogste helling van de Asheimar [hk] zo’n
achttien uur geleden. De sneeuw is over hem heen geblazen zodat
hij nu alleen nog op een ingestorte muur lijkt.
Het dier moet erop letten dat ze niet vergeet dat hij een jager
is.
Hij is in het zuiden in Botn met de jacht begonnen.
De lucht was helder en het morgenrood was zo zwart als het in de
winter maar kon zijn. De man rende de huisweide omlaag, sloeg in
de richting van het noorden over de Asar naar de Litla-Bjarg. Daar
had het nog niet gesneeuwd.
Toen hij daar was aangekomen, zag hij iets op de rand van de heuvel
bewegen. Hij ging met zijn hand in z’n jas en haalde er een
telescoop uit, schoof hem uit elkaar en hield hem voor zijn goede
oog:
Ja, er was geen vergissing mogelijk!
Hier was een dochter van Reinaert op pad.
Ze leek zich totaal onbewust van het gevaar. Haar
hele gedrag wees erop dat ze eropuit was iets te eten te pakken
te krijgen. Ze deed het op haar gemak en al haar aandacht was hierop
gericht.
De man hield haar aandachtiger in de gaten.
Hij richtte heel sterk zijn gedachten op haar om een idee te krijgen
van wat ze van plan was, welke kant ze op zou gaan als ze klaar
was met haar gesnuffel op de heuveltop. Totaal onverwachts sprintte
ze ervandoor, zonder dat de man in de gaten had waarom. Heel haar
manier van doen wees erop dat ze een grote dreiging bespeurde. Ze
kon niet het flauwste vermoeden van de man hebben gehad –
op een normale manier.
Ze moet een duidelijk voorgevoel hebben gehad van zijn bedoelingen:
Het was een man die zijn zinnen op jagen had gezet.
De man ging de heuvel op. Hij probeerde het beeld
van de vos helder voor de geest te houden, zodat hij haar makkelijker
terug zou kunnen vinden:
Ze vliegt als een pijl uit de boog over de bevroren sneeuw.
Op de rand van de helling zocht hij naar sporen van de vos. Hij
mat een pootafdruk van de vos tussen duim en wijsvinger: het leek
een groot dier te zijn. In de sneeuwvlok die op zijn vingertop bleef
liggen zat een glanzende haar – en over de kleur was geen
vergissing mogelijk: roodbruin.
In het westen loodrechte wolkenstrepen.
Misschien was er een storm op komst.
De vos was nergens te zien.
Het spoor was gaaf, zo ver als het oog reikte.
De man liep kwiek met de wind in de rug. Het maakte nu weinig uit
of de vos zijn geur oppakte; ze wist dat hij achter haar aan zat.
Hij bleef af en toe staan en keek om zich heen. Hij gebruikte dezelfde
methode als eerst. Hij richtte al zijn gedachten op dat ene doel
om uit te rekenen welke kant de vos op zou rennen en waar hij haar
binnen schootsafstand zou krijgen.
Plotseling werd hem verteld welke kant ze opging en waar hij haar
binnen schootsafstand kon krijgen:
De vos gaat naar het noorden over de sneeuwvlakte. Ze zal scherp
naar het oosten afbuigen en daar strekt zich onder haar de Melar
uit, alleen maar stenen, een perfecte schuilplek voor een blauwvos.
Was ze een te grote wildebras om op haar hoede te zijn? Was ze absoluut
van plan zich aan het gevaar over te geven... en had ze op die manier
hem in haar gedachten laten glippen? Had ze er niet voor gezorgd
hem te verjagen?
Had de man een telepathische gedachte van de vos gekregen?
|