|
Fragment uit Normale dagen
Op 20 juni 2001 belde haar grootmoeder. Een paar dagen voor het kersenfeest. Lucie was het niet gewoon om de data van dorpsfeesten te onthouden, maar grootvader zou er met zijn sterven vlak na dat feest voor zorgen dat ook de jaarlijkse kermis nooit meer werd vergeten. Ze belde op een woensdagavond. Lucie stond met Paul in de keuken en rende naar de woonkamer om op tijd bij de telefoon te zijn.
'Met oma', zei ze en Lucie schrok. Niet omdat ze dacht dat er iets ernstigs aan de hand was, maar omdat ze bang was dat dit dan het moment was waarop er iets veranderde. Dat ze nu dan kreeg waar ze zogezegd naar verlangde. Dat haar grootmoeder haar belde om met haar te praten. Haar zou gaan vragen waarom ze niet meer thuis kwam. Haar zou vertellen dat ze haar miste en dat ze begreep dat Lucie dat had willen horen en hoe haar afwezigheid haar had doen beseffen wat ze voor haar betekende... In die ene seconde, nadat haar grootmoeder had gezegd wie ze was, zat ze in dat moment waarop al die dingen mogelijk waren en ze schrok zich wezenloos. Doodsbang voor zulk soort langgehoopte bekentenissen.
Er bleken dus zaken te bestaan die je met kinderlijke verontwaardiging van het leven eiste, met de zekerheid dat die eisen toch niet werden ingewilligd. Zodat je altijd een goede reden behield voor je verongelijktheid, een mooi excuus voor elk onredelijk gedrag.
Haar angst bleek voorbarig. Grootmoeder sprak met haar alsof ze elke dag met haar sprak.
'Opa is ziek', zei ze. Geen plichtplegingen. Niet: het leek me dus verstandig om je nu te bellen, ook al... Nee, gewoon: opa is ziek, en na een korte stilte de gradatie.
'Ernstig.'
Lucie vroeg: 'Hoezo opa?' In geval van ziekte had ze het altijd andersom verwacht. Haar grootmoeder was degene met de lichamelijke klachten. Onzichtbare kwalen. Bloeddruk, galstenen, blindedarm, spastische darm. Van die klachten die duistere complotten in het lichaam deden vermoeden. Iets wat 'eigenlijk' helemaal mis was. Met haar grootvader was er nooit iets aan de hand. En als er al iets was, dan waren dat ongelukken die hem nooit echt leken te deren. Een gebroken rib door de schop van een paard, hij zag de ernst er niet van in. De twintig hechtingen in zijn buik na een aanvaring met een stier haalde hij er zelf uit. Lucie had hem nooit als oud kunnen ervaren. Laat staan ziek.
Grootmoeder gebruikte weinig woorden maar liet niets aan duidelijkheid te wensen over: 'Het zit overal, zegt de dokter.' Die zin maakte Lucie kwaad, ze haatte die uitdrukking, die het lichaam zo ontheiligde en reduceerde tot drager van de naderende dood. Zolang een lichaam aan een mens toebehoorde zou je het zo niet mogen beschouwen. Maar natuurlijk had het er niet toe moeten doen wat ze vond van de zinnen die haar grootmoeder gebruikte.
'We hebben alles al geregeld, maar dat je het even weet.' Daarna zweeg ze. Lucie dacht op dat moment niet aan haar grootvader. Ze zag alleen haar grootmoeder voor zich, zwijgend aan de andere kant van de lijn. Wachtend. Zoals zij had gewacht.
'Moet ik komen?'
'Ja, dat kan.'
Lucie deed nog één laffe poging: 'Wil je dat ik kom?' Maar dit was haar grootmoeders terrein en daar had zij geen schijn van kans.
Ze herhaalde: 'Ja, dat kan.' Lucie zocht nog naar een uitweg. Probeerde dat gevoel van urgentie te negeren en vroeg of er haast was geboden, wat nogal kil klonk, maar ze verwachtte toch nog een dooddoener als: 'Ach, zoiets kan jaren duren.'
Grootmoeder zei: 'De dokter zegt: het kan weken zijn, het kan dagen zijn.' Toen pas schrok ze waarom ze had moeten schrikken. Dat haar grootvader binnen afzienbare tijd doodging en dat ze zich moest haasten om hem nog te kunnen zien.
Paul kwam de kamer binnen. Er kwamen etensgeuren uit de keuken achter hem. Ze keek naar hem en werd jaloers op haar eigen leven, op de avond die had moeten volgen. Ze zei niets. Keek alleen maar naar hem. Weemoedig haast. Bang dat zijn zachte, vragende blik zo om zou slaan in iets anders. Ze wist hoe onredelijk ze werd als ze over haar grootouders moest spreken en ze wilde niet dat hij die onredelijkheid zou zien. Zou veroordelen.
'Dat was mijn oma.' Hij wist dat ze haar grootouders in geen jaren meer had gesproken. Maar ook had hij op haar verjaardag hun verjaardagskaart gezien. Iets wat op een normale situatie leek te duiden. Als ze hem iets over haar grootouders vertelde waren dat meestal vroege jeugdanekdotes. Herinneringen aan eerste observaties over de wereld, die geliefden met elkaar uitwisselen. Over haar grootouders nu had ze hem niet veel verteld. De mededeling dat haar oma had gebeld maakte hem maar lichtelijk nieuwsgierig.
'Die had je toch al een tijd niet gezien? Toch? Of niet?' Ze verbaasde zich over die twijfel, maar begreep ook dat hij slechts had geloofd wat ze hem had verteld: 'dat ze niet zoveel met haar familie had.'
'Mijn grootvader is ernstig ziek', zei ze en ze dreigde te gaan huilen. Dat vond ze nogal smakeloos na drie jaar afwezigheid, dus hield ze zich in. Paul keek haar bezorgd aan en ze keek van hem weg, omdat die bezorgdheid haar raakte. Ze wilde graag nog even die koele afstand voelen, die ze tot vijf minuten hiervoor tot haar grootouders had gevoeld.
Het gesprek met Paul liep snel uit de hand. Ondanks haar voornemen om hier volwassen mee om te gaan, schold ze op haar grootmoeder. Op haar zwijgen, haar wachten, de zinnen die ze gebruikte.
Paul vroeg: 'Wil je ernaartoe?' Ze stoorde zich aan de eenvoud van die vraag.
'Dat doet er niet toe.'
'Wil je 'm dan niet zien?' Ze herhaalde dat het daar niet om ging en toen hij haar oprecht vroeg of ze het erg vond, werd ze kwaad omdat hij daaraan twijfelde.
'Natuurlijk wel! Wat denk je dan?!' Nu verloor ook hij zijn aanvankelijke beleefdheid.
'Ik hoor je meer over je grootmoeder dan over hem, wat vind je nou erger?' Lucie snapte die vraag bijzonder goed, maar al konden buitenstaanders goed de vinger op de zere plek leggen, het was de vraag of het ook hun taak was. Ze kreeg hem al vlot stil. Met een dramatische oneliner, die goed klonk maar nergens op sloeg.
'Ik hoef jou mijn verdriet niet te bewijzen!' Het was een effectieve zin. Paul zweeg. Niet omdat hij die zin serieus nam, maar omdat hij duidelijk maakte dat ze geen behoefte had aan een discussie. Ze keek uit het raam en Paul kwam naast haar staan. Zocht naar onschuldige tekst. Hij wees naar een huis schuin aan de overkant.
'Daar hebben ze dezelfde lamp als wij, maar dan in het groot.' Ze keken zwijgend naar hun lamp in het groot.
Ze vertelde Paul dat ze ernaartoe moest en dat ze niet wist voor hoelang. Het verbaasde hem dat ze zich voorbereidde op een lang bezoek, maar verstandig genoeg zei hij daar niets over.
Lucie belde haar afspraken af. Ze sprak antwoordapparaten in met mededelingen over familie en ziekte en probeerde niet al te dramatisch te klinken. Je kon niet ineens met een dierbare stervende grootvader aankomen die de week ervoor niet had bestaan. Ze voelde zich verantwoordelijk voor de eventuele schok aan de andere kant en mompelde vreemde zinnen als: 'Niets ergs hoor, maar wel ernstig.' Paul serveerde het eten tussen haar telefoontjes door en hield zich op de vlakte. Ze belde haar grootmoeder terug, alsof het telefoneren met haar plots gebruikelijk was geworden. Ze zei haar dat ze begin van de avond zou aankomen. Niet dat het wat uitmaakte hoe laat ze kwam - er was altijd iemand thuis en de deur naar de deel toe kon niet eens worden afgesloten - maar onverwacht op een onbekend tijdstip binnenvallen vond ze te vertrouwd, en ze wilde dat het duidelijk was dat zij daar niet vertrouwd was.
Zwijgend deden ze de afwas. Lucie met geconcentreerde, kalme bewegingen. Bang om iets stuk te maken. De minste aanleiding, een kapot glas, een gevallen bord, zou haar zeker in huilen doen uitbarsten. Paul was ook kalm. Op zijn hoede. Wist dat hij alleen maar het verkeerde kon zeggen. Lucie deed een poging zich aan haar eigen leven vast te klampen. Haar grootouders uit haar gedachten te bannen tot ze voor ze zou staan. Ze wilde iets grappigs vertellen. De lucht klaren.
'Wist je dat Timothy McVeigh zichzelf vergeleek met Luke Skywalker van Star Wars? Hij...'
'Wie?'
'Timothy McVeigh, die dacht...'
'Nee, ik bedoel die ander, met wie die zich vergeleek...'
'Met Luke Skywalker, de hoofdpersoon uit Star Wars. Die -'
'Hoe weet je dat?'
'Van tv. Maar toen Luke Skywalker dat ruimteschip van de tegenstanders opblies, de slechten dus, de Death Star, in Star Wars -'
'Ik ken Star Wars niet.'
'...in die film blies hij een ruimteschip op van de vijand en in dat ruimteschip werkten natuurlijk heel veel mensen. Onschuldige mensen. Administratief medewerkers. En McVeigh vergeleek dat met zijn eigen aanslag. Die mensen waren misschien wel onschuldig, maar ze werkten voor het slechte rijk. The Evil Empire. De Amerikaanse overheid.' ... De kinderlijke woorden bleven onhandig in de daaropvolgende stilte hangen.
'Heb je dat verzonnen, voor je toneelstuk?'
'Nee natuurlijk niet', zei ze beledigd. 'Dat is zo. Dat vertelde hij tegen z'n vrienden. Dat zeiden ze op televisie.'
'Dat weet je zeker?'
'Ja, dat heb ik toch gezien.'
'Het klinkt nogal dom.'
'Ja. Natuurlijk! Daarom vertel ik het!'
'Ik snap het niet,' zei Paul, 'wat is er nou?' Lucie gooide haar theedoek neer.
'Sorry. Niks. Sorry. Ik moet mijn spullen pakken.'
|