‘In
dit boek kijkt Esther Gerritsen openhartig terug op haar jeugd
als superduif.’
Ik zou geniaal en grandioos liegen.
Esther Gerritsen over het schrijven van haar roman Superduif
Het zou een licht boek worden. Literaire sciencefiction. Met humor.
Het zou over een superheld gaan. Een die op een dag besluit om
iemand níét te redden. Een vrolijke afrekening
met mijn verslaving aan reddingsfantasieën. Tijdens het
schrijven zou ik ook nog even een kind krijgen.
Van de eerste maanden dat ik schreef herinner ik me vooral dat
ik zwanger was en ongeconcentreerd. Maar ik schreef. Ik was te
moe om na te denken over wat ik schreef en dacht: dan maar meters
maken.
Mijn superheld vloog naar haar beste vriendin om haar bij te staan
bij een bevalling (mijn fantasie kent zijn beperkingen), waar zij
uiteindelijk het pasgeboren kind na vreselijke complicaties níét
zou redden. Wat er precies licht was aan dit onderwerp vraag ik
mij nu ook af, maar toen ik eraan schreef vroeg ik mij niets af.
Ik schreef.
Tijdens het vliegen naar het huis van de vriendin, keek mijn superheld
terug op haar jeugd en hoe het allemaal was begonnen, deze gave
van haar om te transformeren in een grote ranzige duif en mensen
te redden. Dat leek mij grappig, een duif, de meest verguisde vogel
van ons land. Op het dak van de nieuwbouwwoning van haar vriendin
transformeerde mijn held terug in mensengedaante. Zij liet zich
via de regenpijp naar beneden glijden en belde aan. Mijn superheld
voegde zich in de keuken bij de vriendenploeg die was uitgenodigd
bij de bevalling; een poging van de aanstaande ouders om een groots
oerachtig groepsritueel te construeren.
Voorzichtig diende zich een eerste probleem aan. De vrienden van
mijn held bleken helemaal niet te geloven dat mijn hoofdpersoon
een held was. Ze lachten besmuikt toen mijn held openhartig vertelde
hoe zij aan was komen vliegen. Achter de rug van mijn superheld
om wierpen ze elkaar smalende blikken toe. Dat had ik toch zelf
in de hand, zou je denken. Die vrienden hóéfden niet
zo te doen. Toch deden ze het. Ik kwam er niet onderuit. Dit was
wat een superheld nu eenmaal te wachten stond, dat wist ik heel
goed. Zelf bleef ik aanvankelijk in mijn held geloven, tegen beter
weten in. Ik wilde zo graag dat het echt was. Stug schreef ik door
aan haar avonturen, die steeds armzaliger werden. Tot ik brak en
de vrienden van mijn held gelijk moest geven. Het kon niet waar
zijn … Mijn verlangen naar heldere sciencefiction werd uiteindelijk
toch gedwarsboomd door mijn eeuwige interesse in geestesziekte.
Goed, dacht ik, geen probleem: we kunnen onze liefdes niet ontlopen.
Ik wijdde er niet meer gedachten aan, ik schreef, kreeg een kind
en schreef weer verder. Ik had veel slaap, ik verhuisde, had nog
meer slaap en ook vaak griep, maar ik schreef.
De bevalling in het boek was in volle gang, mijn held had al veel
teruggekeken op haar jeugd, mijn dagen werden minder slaperig,
mijn brein minder warrig, toen ik mijn redacteur eindelijk wat
liet lezen. Ik las het zelf ook eens. Onze conclusie was dat er
nogal veel werd terug gekeken en ik kon niet anders dan hartgrondig
zuchten: wat heb ik toch een hekel aan boeken waarin in de tijd
wordt gesprongen.
Het was een simpel probleem. Even plakken en knippen en alles stond
helder in chronologische volgorde. Maar in die heldere volgorde
bleek al snel, dat er maar één ding was dat me werkelijk
boeide: hoe was het ooit begonnen met mijn superheld? Het Nu verdween
in de mist. Het Toen werd het belangrijkste verhaal, tegen al mijn
aversie in, want ik wilde helemaal geen boek over een kind schrijven.
Ik vreesde dat ik dan mijn gedachten niet de vrije loop kon laten
en me aan moest passen aan een kinderachtig en kortzichtig wezen
(ik heb geen romantische kijk op de kinderziel). Dus kwam ik tot
de volgende ingreep, een die mij vooral een mooie flaptekst zou
opleveren: ‘In dit boek kijkt Esther Gerritsen openhartig
terug op haar jeugd als superduif.’ Vanuit het perspectief
van een achtendertigjarige schrijfster zou ik reflecteren op het
kind. Zo kon ik mij alles permitteren. Ik zou al mijn schroom overwinnen
om over iets persoonlijks te schrijven. Ik zou het meest persoonlijke
aan het meest bizarre verbinden; ik zou geniaal en grandioos liegen.
Er volgde een gelukzalige periode, waarin ik elke gedachte omtrent
heldendom in mijn leven uitploos, opschreef en aan het verhaal
van de Superduif verbond. Het was een vermakelijk onderzoek naar
een van de belangrijkste onderwerpen uit mijn leven. Ik liet de
uitgeverij weten dat de uitgave maar vervroegd moest worden, want
ik zou voor het nieuwe jaar klaar zijn. Mijn lichte sciencefictiontussendoortje
werd een relaas van een suïcidaal kind, dat haar fantasie
nodig denkt te hebben om de dagen door te komen. Ikzelf fleurde
enorm op bij het neerschrijven van neerslachtige gedachte na neerslachtige
gedachte. Ik verdiepte me met grote interesse in de prachtigste
boeken over depressie en zelfmoord. Het was eind 2009. Het was
een heerlijke Kerst vol droevige literatuur. Het boek schreef zichzelf.
Trots en voldaan verzond ik mijn manuscript en kocht vuurwerk voor
de jaarwisseling. Mijn dochter was net één geworden.
Ik fantaseerde over de lofuitingen van Ad, mijn redacteur.
Elf januari 2010. ‘Ad belt’ stond er in mijn agenda.
Ik geef toe, dit klinkt als een dokter die me de fatale uitslag
zal geven, en zo was het ook. Het was niet goed. Hij probeerde
het voorzichtig te brengen. Ik herinner me dat hij iets zei over ‘te
weinig handeling en te veel gedachten’. ‘Allemaal erg
naar binnen gekeerd.’ In welk gedeelte? ‘Eh … overal.’ We
zouden de week erop afspreken. Het was wel duidelijk, het was helemaal
mis. ’s Middags was ik depressief. Ik overdrijf niet. Ik
werd overvallen door een angstaanjagende grote zwaarmoedigheid.
Zo groots, dat ik me niet kon voorstellen dat het iets met dat
ene telefoontje te maken had.
Ik kon niet meer denken, de weken erna. Ik verdwaalde in de stad
waarin ik al twaalf jaar woon. Ik vergat alles. Ik kon niet meer
op woorden komen. Ik wilde mijn bed niet meer uit. Ik dwong mijzelf
te gaan hardlopen. Tijdens het hardlopen wilde ik slapen. Op mijn
nachtkastje lagen de stapels ‘depressieliteratuur’.
Ik vermoedde dat ik ze beter niet kon lezen.
Ad legde me nog eens uit wat er aan mijn boek scheelde. Ja, Sander,
mijn uitgever, vond dat ook. ‘O.’ Alles wat er in het
boek gebeurde, gebeurde enkel in het hoofd van mijn held. Alles.
Elke dialoog was een ingebeelde dialoog. Elke confrontatie door
haar verzonnen. Elke handeling een fantasie. In werkelijkheid gebeurde
er nagenoeg … niets.
Nu klinkt het simpel. Toen was ik te versuft en geschokt om mijn
dwaling in te zien. Ik probeerde in mijn hoofd nog iets als: ‘Ze
willen natuurlijk oppervlakkige onzin … Ze kunnen van mij
toch niet verwachten dat ik alles verloochen waar ik voor sta … Ze
begrijpen het niet.’ Maar in dat puberale verzet kon ik nauwelijks
geloven. Ik had in een roes gewerkt, grootse ontdekkingen gedaan
in mijn werk, maar bleek mij te hebben vergist?
Er zijn weinig vlakken in mijn leven waarop ik onverdeeld positief
over mijzelf denk. Doe ik dat wel, dan is het fantasie; een reddingsfantasie,
die ver buiten de realiteit ligt. Uitzondering vormt mijn werk.
Aan mijn werk denk ik met trots. Maar toen het leek dat ik mij
zo grandioos kon vergissen … dreigde de oase in mijn leven
droog te vallen en ik werd doodsbang.
Ik rende en ik lunchte. Met iedereen die met mij lunchen wilde.
Ik moest in beweging blijven, in de buitenlucht komen en onder
de mensen zijn. Het sneeuwde. Mijn man kocht een slee en nam me
mee naar het heuveltje in het park. De naslagwerken over depressie
zette ik in de kast.
Het duurde een week of vier. Toen nam het verdwalen weer af. De
sneeuw smolt. Ik herlas mijn werk en zag dat het niet goed was.
Als een bouwvakker die eigenlijk al op vakantie had moeten zijn,
moest ik het huis afbreken en opnieuw opbouwen.
Met koude distantie, maar met koortsachtige haast herschreef ik
mijn boek. Ik schrapte genadeloos ellenlange passages met gedachten
en zette elk ingebeeld conflict om in een werkelijk conflict. Mijn
held betrad voor het eerst de realiteit. Ik schreef dialogen. Als
mijn held iets zei, sprak er iemand terug. Ik moest fantaseren,
niet mijn hoofdpersoon. Ik was mijn hoofdpersoon niet. Esther Gerritsen
keek niet openhartig terug op haar jeugd als superheld.
Het was tijdens het schrijven van de laatste bladzijden dat ik
iets van plezier durfde voelen. Ik verstuurde mijn manuscript en
vertrouwde erop dat het goed was. Maar had ik dat niet eerder gedaan?
Er kwam weer een telefoontje van Ad. Die vond dat ik hard had gewerkt.
Ik was bang dat dat een schrale troost was om daarna te kunnen
zeggen dat het wederom niet goed was. Maar Ad bleef vrolijk. Ik
glimlachte naar de telefoon, met weinig overtuiging.
Natuurlijk is Ad niet de goddelijke jury (of toch wel?) maar wel
mijn eerste lezer en ik geloof in wat hij leest. Maar als ik mij
kon vergissen, kon Ad dat ook. Toch? Pas na de goede reacties van
de tweede en de derde lezer, zuchtte ik van opluchting.
Het was al zomer, ik corrigeerde de zetproef, toen ik iets begon
te begrijpen van mijn gelukzalige Kerst. Misschien schreef ik geen
goed boek toen, maar ik onderzocht en doorleefde een onderwerp
dat zijn vorm nog moest vinden. Ik dacht dat ik een huis had gebouwd,
maar ik had slechts het land ontgonnen waarop het huis gebouwd
moest worden. Het was geen onzin geweest. Ik had alleen niet doorgehad
wat het wel was.
|