|
Fragment uit Je hebt iets leuks over je
Samen met mijn man ga ik naar de schoenmaker. We geven een paar schoenen af, we maken wat grapjes met de schoenmaker, niets bijzonders, maar dan zegt de schoenmaker, die wij niet kennen, tegen mijn man: ‘Jij hebt iets leuks over je.’ Wij zijn een seconde stil en lachen dan. Zeggen gedag. Lopen naar buiten en mijn man herhaalt: ‘Ik heb iets leuks over me.’ Dat is niet iets wat schoenmakers horen te zeggen. Het is zelfs niet iets wat je überhaupt direct tegen iemand zegt.
|