|
Fragment uit Je hebt iets leuks over je
Samen met mijn man ga ik naar de schoenmaker. We geven een paar schoenen af, we maken wat grapjes met de schoenmaker, niets bijzonders, maar dan zegt de schoenmaker, die wij niet kennen, tegen mijn man: ‘Jij hebt iets leuks over je.’ Wij zijn een seconde stil en lachen dan. Zeggen gedag. Lopen naar buiten en mijn man herhaalt: ‘Ik heb iets leuks over me.’ Dat is niet iets wat schoenmakers horen te zeggen. Het is zelfs niet iets wat je überhaupt direct tegen iemand zegt.
Fragment uit Superduif
De dag waarop ik Ine voor het eerst ontmoette was ook de dag waarop ik voor
het eerst lichtjes opsteeg. Die dag begon hetzelfde als alle andere dagen.
Het was een ochtend aan het eind van de winter, in het laatste jaar van de
lagere school. Ik werd wakker en ik kon het niet. Zo zei ik dat tegen mijn
moeder: Ik kan het niet. Want als je moeder ’s ochtends voorzichtig
je slaapkamerdeur opent en goeiemorgen zegt, dan zeg je niet: Mama, ik wil
liever dood dan opstaan.
Ik sliep al niet meer toen ik haar op de trap hoorde. Ik lag gespannen naar
haar voetstappen te luisteren die dichterbij kwamen. Alsof het de beul zelf
was die me uit mijn cel kwam halen en niet mijn eigen lieve moeder. Ze klopte
en opende zachtjes de deur.
‘Bonnie, lieverd, ben je wakker?’ Ik liep af. Een veer die was opgedraaid.
Een mechaniek dat geen keus had. Ik drukte mijn gezicht in het kussen en gilde.
Ik sloeg met mijn vuisten op het matras.
Ik klauwde met mijn handen in het hoeslaken, krulde me op en strekte me uit,
sloeg met mijn benen op mijn bed als een kleuter en ik riep: ‘Laat me!
Alsjeblieft voor één keer! Voor één keer, laat
me alsjeblieft!’ Toen kwam ik rustig overeind en keek mijn moeder smekend
aan.
‘ Ik kan het niet. Ik kan vandaag niet opstaan. Echt niet.’ Mijn
moeder glimlachte, frunnikte wat aan de ceintuur van haar duster, draaide zich
om en liep weer naar beneden. Daarna stond ik op.
Zo ging dat elke ochtend.
Fragment uit De kleine miezerige god
Haar moeder was nog afweziger dan anders. Voor het eerst zat Dominique naast haar, in de gezamenlijke huiskamer van afdeling de Snip en ze begreep dat haar moeder werkelijk niets van haar verwachtte. Dus staarde Dominique naar haar handen, zweeg en maakte geen aanstalten.
Ik hoef niets te doen. Sterker nog, ik doe al iets: ik bezoek mijn moeder. Ik zit hier doodstil en ondertussen voltrekt zich de activiteit: moeder bezoeken. Aan het eind van de dag kan ik concluderen: mijn moeder bezocht. Die conclusie zal dan tevredenheid moeten veroorzaken, of in ieder geval die andere gedachte enige tijd uitstellen: dat het weer eens tijd wordt om mijn moeder te bezoeken.
'Je doet het voor jezelf, hè', had de echtgenote van meneer Van der Loo haar eens toevertrouwd. Ze had het gezegd waar haar man bij was. 'Voor hem hoef ik niet te komen. Ik doe het voor mezelf.' Dominique had meewarig geknikt. Meneer Van der Loo hoorde toen nog bij de categorie die een stadium verder was dan haar moeder: de zeer afwezige medebewoners. Nu zat ze zelf naast een afwezige, die ze heus nog wel wakker kon schudden, aan kon spreken en tot taal kon bewegen. Als ze daar de moeite voor zou doen. Maar het werd niet van haar verwacht. Dominique zou op kunnen staan en weglopen, zonder een woord, en niemand zou ervan opkijken.
Nu zou ze net als mevrouw Van der Loo kunnen zeggen: Je doet het voor jezelf. God, wat klonk dat armoedig. Als verzonnen rijkdom. Als de laatst mogelijke reden wanneer alle zin was weggevallen. En vooral: er zat geen schoonheid in. Niet zoals in de zin die ze voorheen had gesproken en die oud en waarachtig was geweest: Ik kom voor mijn moeder. Een zin die nu alleen formeel nog waar leek.
Maar ze zou niet - ze zwoer het: ze zou niet - ze zou nóóit zeggen dat ze hier voor zichzelf kwam. Ze was hier omdat dat moest, en nooit zou ze liegen dat het anders was. Dan, dacht ze laconiek - als was het een grap - doe ik het nog liever voor god. Iemand moest toch de schuldige zijn en deze bezoeken van haar eisen. En hup, daar was god. Hij kwam zo ongelofelijk goed van pas. Haast geruisloos nam hij zijn plek in.
Dominique richtte haar hoofd op, keek meneer Van der Loo aan en zei: 'Ik doe het voor god.' Meneer Van der Loo opende zijn ogen niet eens. Niemand in de kamer reageerde. Een ondankbare stilte, na zo'n grote, al dan niet gemeende bekentenis.
Ze sprak die stilte toe, haar ogen op het bloemstuk in het midden van de grote, vierkante tafel - buiten bereik van verwarde bewoners: 'Ik doe het voor jou, god, ik doe het allemaal voor jou.' Ze klonk als een moeder die haar kind de gebrachte offers voor de voeten wierp en iets terug verwachtte.
'Voor jou', zei ze tegen de plastic bloempot in de vorm van een bootje.
'Voor jou', zei ze tegen de gele chrysanten.
|