|
Fragment uit Superduif
De dag waarop ik Ine voor het eerst ontmoette was ook de dag waarop
ik voor het eerst lichtjes opsteeg. Die dag begon hetzelfde als
alle andere dagen. Het was een ochtend aan het eind van de winter,
in het laatste jaar van de lagere school. Ik werd wakker en ik
kon het niet. Zo zei ik dat tegen mijn moeder: Ik kan het niet.
Want als je moeder ’s ochtends voorzichtig je slaapkamerdeur
opent en goeiemorgen zegt, dan zeg je niet: Mama, ik wil liever
dood dan opstaan.
Ik sliep al niet meer toen ik haar op de trap hoorde. Ik lag gespannen
naar haar voetstappen te luisteren die dichterbij kwamen. Alsof
het de beul zelf was die me uit mijn cel kwam halen en niet mijn
eigen lieve moeder. Ze klopte en opende zachtjes de deur.
‘Bonnie, lieverd, ben je wakker?’ Ik liep af. Een veer die
was opgedraaid. Een mechaniek dat geen keus had. Ik drukte mijn
gezicht in het kussen en gilde. Ik sloeg met mijn vuisten op het
matras.
Ik klauwde met mijn handen in het hoeslaken, krulde me op en strekte
me uit, sloeg met mijn benen op mijn bed als een kleuter en ik
riep: ‘Laat me! Alsjeblieft voor één keer!
Voor één keer, laat me alsjeblieft!’ Toen kwam
ik rustig overeind en keek mijn moeder smekend aan.
‘
Ik kan het niet. Ik kan vandaag niet opstaan. Echt niet.’ Mijn
moeder glimlachte, frunnikte wat aan de ceintuur van haar duster,
draaide zich om en liep weer naar beneden. Daarna stond ik op.
Zo ging dat elke ochtend.
|