| Fragment
uit Familievlees
Twee vliegtuigjes stegen op van de luchthaven Eelde. Ze hadden genoeg
roze en blauwe rook in hun buik om de hemel vol te kladden. Maar
de enige letter die ze gelijktijdig in het luchtruim mochten tekenen
was een kapitale B, vlak naast elkaar. Een simpel klusje. De piloten
hadden afgesproken daarna door te vliegen naar de Noordzee voor
het echte werk: daar kon het hele alfabet worden afgewerkt. Niemand
die het zag.
Beneden op de grond trok gedeputeerde Gerrit Runing voor de badkamerspiegel
de knoop van zijn stropdas aan. Met een lik pommade wreef hij zijn
blonde haar strak naar achter. Toen hij zijn handen onder de lauwe
badkamerkraan had afgespoeld en zijn brillenglazen dankzij een poetsdoekje
weer glansden, viste hij zijn colbert van een stoel. Zijn hand gleed
in de binnenzak. Zijn speech, zijn gewéldige speech... Grommend
van voorpret huppelde hij de trap af.
Twintig kilometer verder schoot een zwarte Mercedes (D-klasse) door
het Drentse land. De man achter het stuur, Otto Dirks, tuurde de
hemel af in de hoop iets te kunnen zien van het ongelooflijke object
dat in het dorp Garssen was verrezen en dat over een half uur feestelijk
zou worden geopend. Hij zag een paar berken, paars bloeiende hei,
verder niks. ‘Hm’, knorde hij en keek schuin op zijn
kaart.
Dirks zag de intercity naar Assen niet, die enige tijd met hem optrok
maar het toen moest afleggen tegen de Mercedes. In het een na achterste
rijtuig zat een Molukse moeder met haar zoon. De jongen had zo veel
gel in zijn haar gesmeerd dat het wild piekte. ‘Je weet het’,
zei zij. ‘Leuk is het niet, maar als we doen wat we beloofd
hebben, krijgen we elk duizend gulden.’ De jongen knikte.
Met elke spoorbiels die ze passeerden leek zijn gezicht somberder
te worden.
Op
de deur van kamer 21 van het bejaardenhuis in Wolsum klonk een zachte
roffel. Harmen Barels hoorde niks. Hij sliep in de stoel waarin
hij de hele ochtend zwetend had doorgebracht. Lang geleden was deze
hem als ‘comfortabele bejaardenfauteuil’ verkocht. Nu
zaten drie van de vier poten los. De ooit vrolijke bloemetjesstof
leek op het groengrijze mos dat groeit op de Russische toendra.
Maar wie kocht er op zijn 97’ste nog een nieuwe stoel? Overigens:
het mos zat heerlijk.
Harmen Barels sliep al uren. Hij had niet eens gemerkt hoe Geertje
– blonde Geertje! – om twaalf uur stipt zijn diner binnendroeg:
een sudderlapje met aardappelen en stoofpeertjes. Geertje had hem
zien zitten in zijn stoel, het hoofd onderuitgezakt, zijn mond wijd
open, en overwoog hem wakker te maken. Een man moest eten.
Ze liep naar zijn stoel. Meneer Barels rechterhand lag open en bloot
op zijn schoot. Zacht streek ze met haar wijsvinger over zijn knokkels.
Toen tastte ze naar de plekken waar bij elke man wijsvinger, middelvinger
en ringvinger begonnen. Bij meneer Barels bestond die plek uit een
drietal stompjes. De huid, volstrekt haarloos, voelde opmerkelijk
glad aan, als die van een kleuter.
Ze was op slag vertederd. Nóg een keer streelde ze de drie
stompjes, en nog eens. Meneer sliep ondertussen rustig door. Als
hij eenmaal sliep, kon je een kanon afschieten.
Ook de tweede roffel op de deur, iets luider dit keer, hoorde hij
niet.
Geertje
was vertrokken nadat ze in de kast nog een paar fotolijstjes had
rechtgezet. Een foto van meneer Barels’ vrouw die een jaar
of acht eerder, vlak voor Geertjes komst in het bejaardenhuis, was
overleden. Ze had vrolijke bruine ogen, haar krullende haar liet
zich met moeite door een haarband intomen. Ernaast stond een foto
van een jongen, zijn zoon Warmont, waar meneer Barels zó
graag en zó veel over vertelde dat Geertje het belangrijkste
feit, de precieze toedracht van zijn vroege overlijden, was vergeten.
Hij was meneer Barels’ oogappel. Andere kinderen had ze hier
nooit gezien. Toen ze ernaar vroeg, had meneer gezwegen. Was het
te pijnlijk of had hij de vraag niet gehoord?
Geertje had de benauwde kamer verlaten. Tegen drieën, als ze
de thee bracht, zou ze wel eens kijken of meneer Barels nog iets
gegeten had, of desnoods een opgewarmd bordje wilde. Ze meende nog
een zucht te horen, toen ze de deur sloot. Ze liet de deur op een
kier, luisterde, maar er gebeurde niks. Meneer sliep verder.
De
twee vliegtuigjes kregen hun bestemming in het vizier, Gerrit Runing
schraapte zijn keel, Otto Dirks parkeerde zijn Mercedes dubbel voor
de bakkerij en de trein met de twee Molukkers reed met slechts een
paar minuten vertraging het dorpje Garssen binnen. Op de deur van
kamer 21 werd opnieuw geklopt. Nu zo luid dat zelfs Harmen Barels
ervan schrok. Hij tilde zijn hoofd op, dat daarna in etappes weer
naar beneden schokte. Hij droomde. In zijn droom lag hij op de grond.
Een jongetje van een jaar of twee kroop over zijn buik. Harmen deed
alsof hij niks van het jochie merkte. Tot hij hem hoorde roepen:
‘Vader!’
Harmen moest lachen, wilde het jongetje bij zijn middel grijpen
om hem vol trots tegen zich aan te drukken, toen een vreemd besef
zich van hem meester maakte. Dit was geen stem van een jongetje
van twee... Dit was de stem van de volwassen Warmont. Hij was niet
dood. Hij bestond nog, ergens! En Warmont riep hem!
‘Ja, jongen’, schreeuwde Harmen Barels zo hard als hij
kon. ‘Ik kom. Maar waar ben je dan?’
Nog een keer klonk het nu, nog duidelijker dan de vorige keer: ‘Vader!’
Harmen Barels schoot overeind in zijn stoel. Daar zag hij Warmont
die hem had staan roepen! God, wat zag hij er goed uit. Geen litteken
meer te zien. En daar was Maike, zoals hij ooit naast haar op de
basaltblokken aan de Zuiderzee had gezeten. Haar krullen zachtjes
deinend in de avondbries. Ze keek hem met een scheef hoofd verleidelijk
aan, waarbij haar pink even de zijne raakte.
Hij wilde die beweging beantwoorden, maar daar klonk weer de stem
van Warmont. ‘Vader!’ Hij mocht naar zijn zoon toe,
zijn tijd was gekomen – eindelijk!
Harmen Barels werd omhooggetrokken uit zijn stoel. Zijn pantoffels
kwamen los van de vloer. Hij zou dwars door het plafond kunnen zweven,
boven het dak van het bejaardenhuis uit, boven de hoogste heuvel
van de Hondsrug waar een grote mensenmenigte zich had verzameld.
Hij zou de hemel in kunnen vliegen waar twee kleine vliegtuigjes
net hun rookkanaal open trokken en de eerste stipjes, roze en blauw,
van de letter B verschenen.
Op dat moment werd de deur van kamer 21 ruw opengegooid.

|