| Fragment
uit Hunkering
Haar
stem wijkt af van het leger vrouwelijke bellers dat mij elke avond
rond etenstijd lastigvalt met levensverzekeringen en ‘interessant
nieuws over uw pensioen’. Steeds grover bek ik ze af, in de
hoop ergens in hun systeem te verankeren als een hopeloos geval.
Na mijn ‘Ja, hallo’ blijft het een paar seconden stil.
De lijn kraakt.
‘Spreek ik met Arie Weber?’
Arie. Zo ben ik in geen jaren genoemd. Een naam die hoort bij een
Amsterdams studentenhuis aan het begin van de Nassaukade. Bij een
kamer van vier bij vier, Engelse bands met kohlomrande ogen aan
de muur. Een televisie die er op belangrijke momenten steevast mee
ophield, de roffels van onze vuisten op de tv-kast ten spijt.
‘Dat klopt’, zeg ik wat vriendelijker. ‘Arend
Weber.’
Ze noemt haar naam die ik meteen vergeet. Het spijt haar dat ze
mij zo onverhoeds en ook nog rond etenstijd opbelt. Ze heeft mij
overdag al een paar keer getracht te bereiken, maar ik nam niet
op. Mijn naam komt voor in een adresboekje van de schilder Hugo
Moor. Of die naam mij iets zegt, vraagt ze.
Ik wrijf een stofje van mijn colbert, loop met de telefoon in de
hand naar het raam. Een rijnaak klieft soeverein het water, geen
boeggolf, geen deining, alsof het de boot is die stil ligt en de
wereld tergend langzaam om het gangboord draait.
Wat zal ik zeggen? Dat Hugo mijn enige echte vriend is geweest?
Dat we ons gedeelde jaar aan de Nassaukade elke dag met elkaar optrokken?
‘Hugo.’ Ik probeer mijn stem neutraal als die van een
nieuwslezer te laten klinken. ‘Ja, die ken ik, die …
héb ik gekend. Wat wilt u over hem weten?’
Ik hoor haar diep inademen voordat ze zegt: ‘Een paar uur
geleden, meneer Weber, stonden er twee gendarmes hier bij ons op
de stoep. Ze waren eerst naar het huis van Hugo gegaan, daar was
niemand aanwezig. De buurman heeft hen vervolgens naar ons doorgestuurd.
U moet weten: samen met Hugo zijn wij de enige Nederlanders in het
dorp, dat schept of je wilt of niet toch een band.’
‘U woont in …’
‘De Franse Jura’, vult ze aan. Ze noemt de naam van
een dorp, een vage tweeklank waaruit de medeklinkers in de loop
der tijd zijn weggesleten. ‘Het ligt bijna op de grens met
Zwitserland. We wonen er nu een jaar, Hugo al veel langer. Misschien
wel tien jaar of meer, ik weet het niet. Als we elkaar op straat
tegenkwamen, maakten we een praatje. Wij zijn nooit bij Hugo thuis
geweest en hij slechts een enkele keer bij ons. Maar voor de Fransen
hier in het dorp waren we dikke vrienden.’
‘Ja, zo gaat dat’, zeg ik.
‘De gendarmes vroegen of ze even binnen mochten komen’,
neemt ze meteen over. ‘Aan hun strakke gezichten zag ik dat
het ernst was, dat het niet ging om een uitstaande verkeersboete
of zoiets. Ik … ik ben er nog steeds kapot van.’
Ik hoor haar slikken. Dan dwingt ze de woorden een voor een als
machteloze brokken de telefoon in: ‘Hugo heeft vanmiddag een
ongeluk gehad, een ernstig ongeluk.’
‘Nee’, zeg ik. Met mijn rechterarm probeer ik mijn Cantarelli-jasje
uit te trekken, maar dat lukt niet, het blijft ergens steken achter
een schouderblad.
‘Hij is vlak bij Pontarlier met zijn auto onder een trein
beland’, vervolgt ze. ‘Een onbewaakte overgang, klaarlichte
dag … Misschien was hij verblind door de zon. Misschien …’
‘Hoe is het met hem?’ roep ik.
‘Niet zo best. Helemaal niet best. Hij ligt in het ziekenhuis
van Pontarlier en wordt in coma gehouden. De artsen kunnen niet
inschatten hoeveel schade zijn hoofd heeft opgelopen. Misschien
valt het mee en …’
Ze ratelt de zinnen af.
Ik schuif een stoel naar achteren en ga aan tafel zitten, de telefoon
tussen mijn schouder en mijn linkeroor geklemd, het colbert nog
steeds als een schild op mijn rug. SEM NU POPULAIRSTE JONGENSNAAM
kopt het avondblad dat opengeslagen op tafel ligt. Peiling: zetelrecord
Krispijn, coalitie weggevaagd. Overleg Antillen totaal mislukt.
Sale, sale, sale bij de grootste boxspringspecialist van Nederland.
Weg met die flaporen! Bij onze kliniek nu eenmalig uw tweede oor
gratis …
Het wordt eindelijk stil op de lijn. Ik heb geen idee wat ze allemaal
heeft verteld.
‘En de rest van zijn lijf?’ hoor ik mezelf vragen.
‘Nadat de gendarmes vertrokken, heb ik meteen het ziekenhuis
in Pontarlier gebeld. Als ik het goed begrijp, zit hij bijna van
top tot teen in het verband. Alleen zijn hoofd, zijn nek en zijn
linkerarm niet, en zijn linkerbeen, geloof ik. Ze hebben me alles
proberen uit te leggen, de verpleging, maar ze gebruikten zo veel
medische termen, Fránse medische termen, dat ik het niet
allemaal begreep. Veel bloedverlies, dat kon ik wel begrijpen, zijn
been op meerdere plaatsen gebroken, zijn rechterarm is verbrijzeld,
zijn ribben … zijn long … zijn …’
Uiteindelijk
zwijgt ze. We zoeken de juiste woorden om het gesprek te hervatten,
maar ze zijn er niet. In mijn hoofd krioelen honderden beelden en
gedachten over Hugo, alsof er door het telefoontje niet iemand in
coma is beland, maar juist uit een langdurig coma plotseling tot
leven komt.
‘Hoe komt u aan mijn nummer?’ vraag ik.
‘Ik ben naar Hugo’s huis gegaan’, zegt ze. ‘In
de hoop dat ik een telefoonnummer kon vinden van zijn familie. De
voordeur was open gelukkig, dat kan nog bij ons in het dorp. Binnen
was het … wat minder geordend dan bij ons, zal ik maar zeggen.
Ik heb een minuut of tien moeten zoeken voor ik een adresboekje
vond. Toen ben ik gaan bellen. U bent de eerste persoon die ik te
pakken krijg.’
‘Staan er veel nummers in?’
‘Eerlijk gezegd niet. Twintig misschien. En een groot aantal
daarvan is nog doorgestreept ook, of ze zijn verouderd. Ik heb natuurlijk
eerst gekeken of ik familienamen herkende. Dat was niet het geval.
Toen ben ik maar lukraak gaan bellen. Net had ik een nummer dat
niet meer in gebruik was bij degene die in het boekje stond.’
‘Wie was dat?’
‘Elias … Ja, Elias. Kent u die?’
‘Ja’, zeg ik. De beeldenstorm in mijn hoofd komt tot
rust. Terwijl de vrouw nog meer namen noemt, zie ik mezelf als achttienjarige
in mijn natgeregende jas voor de deur aan de Nassaukade staan, mijn
wijsvinger tastend naar de deurbel, terwijl mijn ogen trachten wijs
te worden uit de wirwar van namen en bijbehorende belcodes in de
portiek.
Fragment
uit Familievlees
Twee vliegtuigjes stegen op van de luchthaven Eelde. Ze hadden genoeg
roze en blauwe rook in hun buik om de hemel vol te kladden. Maar
de enige letter die ze gelijktijdig in het luchtruim mochten tekenen
was een kapitale B, vlak naast elkaar. Een simpel klusje. De piloten
hadden afgesproken daarna door te vliegen naar de Noordzee voor
het echte werk: daar kon het hele alfabet worden afgewerkt. Niemand
die het zag.
Beneden op de grond trok gedeputeerde Gerrit Runing voor de badkamerspiegel
de knoop van zijn stropdas aan. Met een lik pommade wreef hij zijn
blonde haar strak naar achter. Toen hij zijn handen onder de lauwe
badkamerkraan had afgespoeld en zijn brillenglazen dankzij een poetsdoekje
weer glansden, viste hij zijn colbert van een stoel. Zijn hand gleed
in de binnenzak. Zijn speech, zijn gewéldige speech... Grommend
van voorpret huppelde hij de trap af.
Twintig kilometer verder schoot een zwarte Mercedes (D-klasse) door
het Drentse land. De man achter het stuur, Otto Dirks, tuurde de
hemel af in de hoop iets te kunnen zien van het ongelooflijke object
dat in het dorp Garssen was verrezen en dat over een half uur feestelijk
zou worden geopend. Hij zag een paar berken, paars bloeiende hei,
verder niks. ‘Hm’, knorde hij en keek schuin op zijn
kaart.
Dirks zag de intercity naar Assen niet, die enige tijd met hem optrok
maar het toen moest afleggen tegen de Mercedes. In het een na achterste
rijtuig zat een Molukse moeder met haar zoon. De jongen had zo veel
gel in zijn haar gesmeerd dat het wild piekte. ‘Je weet het’,
zei zij. ‘Leuk is het niet, maar als we doen wat we beloofd
hebben, krijgen we elk duizend gulden.’ De jongen knikte.
Met elke spoorbiels die ze passeerden leek zijn gezicht somberder
te worden.
Op
de deur van kamer 21 van het bejaardenhuis in Wolsum klonk een zachte
roffel. Harmen Barels hoorde niks. Hij sliep in de stoel waarin
hij de hele ochtend zwetend had doorgebracht. Lang geleden was deze
hem als ‘comfortabele bejaardenfauteuil’ verkocht. Nu
zaten drie van de vier poten los. De ooit vrolijke bloemetjesstof
leek op het groengrijze mos dat groeit op de Russische toendra.
Maar wie kocht er op zijn 97’ste nog een nieuwe stoel? Overigens:
het mos zat heerlijk.
Harmen Barels sliep al uren. Hij had niet eens gemerkt hoe Geertje
– blonde Geertje! – om twaalf uur stipt zijn diner binnendroeg:
een sudderlapje met aardappelen en stoofpeertjes. Geertje had hem
zien zitten in zijn stoel, het hoofd onderuitgezakt, zijn mond wijd
open, en overwoog hem wakker te maken. Een man moest eten.
Ze liep naar zijn stoel. Meneer Barels rechterhand lag open en bloot
op zijn schoot. Zacht streek ze met haar wijsvinger over zijn knokkels.
Toen tastte ze naar de plekken waar bij elke man wijsvinger, middelvinger
en ringvinger begonnen. Bij meneer Barels bestond die plek uit een
drietal stompjes. De huid, volstrekt haarloos, voelde opmerkelijk
glad aan, als die van een kleuter.
Ze was op slag vertederd. Nóg een keer streelde ze de drie
stompjes, en nog eens. Meneer sliep ondertussen rustig door. Als
hij eenmaal sliep, kon je een kanon afschieten.
Ook de tweede roffel op de deur, iets luider dit keer, hoorde hij
niet.
Geertje
was vertrokken nadat ze in de kast nog een paar fotolijstjes had
rechtgezet. Een foto van meneer Barels’ vrouw die een jaar
of acht eerder, vlak voor Geertjes komst in het bejaardenhuis, was
overleden. Ze had vrolijke bruine ogen, haar krullende haar liet
zich met moeite door een haarband intomen. Ernaast stond een foto
van een jongen, zijn zoon Warmont, waar meneer Barels zó
graag en zó veel over vertelde dat Geertje het belangrijkste
feit, de precieze toedracht van zijn vroege overlijden, was vergeten.
Hij was meneer Barels’ oogappel. Andere kinderen had ze hier
nooit gezien. Toen ze ernaar vroeg, had meneer gezwegen. Was het
te pijnlijk of had hij de vraag niet gehoord?
Geertje had de benauwde kamer verlaten. Tegen drieën, als ze
de thee bracht, zou ze wel eens kijken of meneer Barels nog iets
gegeten had, of desnoods een opgewarmd bordje wilde. Ze meende nog
een zucht te horen, toen ze de deur sloot. Ze liet de deur op een
kier, luisterde, maar er gebeurde niks. Meneer sliep verder.
De
twee vliegtuigjes kregen hun bestemming in het vizier, Gerrit Runing
schraapte zijn keel, Otto Dirks parkeerde zijn Mercedes dubbel voor
de bakkerij en de trein met de twee Molukkers reed met slechts een
paar minuten vertraging het dorpje Garssen binnen. Op de deur van
kamer 21 werd opnieuw geklopt. Nu zo luid dat zelfs Harmen Barels
ervan schrok. Hij tilde zijn hoofd op, dat daarna in etappes weer
naar beneden schokte. Hij droomde. In zijn droom lag hij op de grond.
Een jongetje van een jaar of twee kroop over zijn buik. Harmen deed
alsof hij niks van het jochie merkte. Tot hij hem hoorde roepen:
‘Vader!’
Harmen moest lachen, wilde het jongetje bij zijn middel grijpen
om hem vol trots tegen zich aan te drukken, toen een vreemd besef
zich van hem meester maakte. Dit was geen stem van een jongetje
van twee... Dit was de stem van de volwassen Warmont. Hij was niet
dood. Hij bestond nog, ergens! En Warmont riep hem!
‘Ja, jongen’, schreeuwde Harmen Barels zo hard als hij
kon. ‘Ik kom. Maar waar ben je dan?’
Nog een keer klonk het nu, nog duidelijker dan de vorige keer: ‘Vader!’
Harmen Barels schoot overeind in zijn stoel. Daar zag hij Warmont
die hem had staan roepen! God, wat zag hij er goed uit. Geen litteken
meer te zien. En daar was Maike, zoals hij ooit naast haar op de
basaltblokken aan de Zuiderzee had gezeten. Haar krullen zachtjes
deinend in de avondbries. Ze keek hem met een scheef hoofd verleidelijk
aan, waarbij haar pink even de zijne raakte.
Hij wilde die beweging beantwoorden, maar daar klonk weer de stem
van Warmont. ‘Vader!’ Hij mocht naar zijn zoon toe,
zijn tijd was gekomen – eindelijk!
Harmen Barels werd omhooggetrokken uit zijn stoel. Zijn pantoffels
kwamen los van de vloer. Hij zou dwars door het plafond kunnen zweven,
boven het dak van het bejaardenhuis uit, boven de hoogste heuvel
van de Hondsrug waar een grote mensenmenigte zich had verzameld.
Hij zou de hemel in kunnen vliegen waar twee kleine vliegtuigjes
net hun rookkanaal open trokken en de eerste stipjes, roze en blauw,
van de letter B verschenen.
Op dat moment werd de deur van kamer 21 ruw opengegooid.
|