Fragmenten

Ik ging aan de tafel zitten en wachtte op middernacht. En middernacht kwam, maar de patrouille was vertraagd. Drie uren moesten er verlopen, dat was bijna niet uit te houden. Toen waren ze er. Mijn moeder hield de mantel met het zwarte fluwelen bandje voor me op. Ik schoot erin. Ze huilde. Ik trok de groene handschoenen aan. Op de veranda, precies daar waar de gasmeter zat, zei mijn grootmoeder: ik weet dat je terugkomt.
Ik heb die zin niet bewust onthouden. Ik heb hem achteloos mee naar het kamp genomen. Ik had geen idee dat hij met me meeging. Maar zo’n zin is zelfstandig. Hij heeft in mij gewerkt, meer dan alle meegenomen boeken. ik weet dat je terugkomt werd de medeplichtige van de harteschop en de tegenspeler van de hongerengel. Omdat ik ben teruggekomen, mag ik dat zeggen: Zo’n zin houdt je in leven.

Uit Ademschommel


Het kind heeft twee grootmoeders. De ene komt ’s avonds met haar liefde bij het kinderbed, en het kind kijkt naar het witte plafond omdat grootmoeder zo meteen zal gaan bidden. De andere komt ’s avonds met haar liefde bij het kinderbed, en het kind kijkt naar haar donkere ogen omdat grootmoeder zo meteen zal gaan zingen.
Als het kind het plafond en de donkere ogen niet meer kan zien, houdt ze zich slapend. De ene grootmoeder maakt het gebed niet af. Ze staat midden in het gebed op en gaat weg. De andere grootmoeder zingt het lied uit, haar gezicht is scheef omdat ze zo graag zingt.
Als het lied uit is, denkt de grootmoeder dat het kind vast in slaap is. Ze zegt: Laat je hartedier uitrusten, je hebt vandaag zo veel gespeeld.
De zingende grootmoeder leeft negen jaar langer dan de biddende grootmoeder. En zes jaar langer leeft de zingende grootmoeder dan haar verstand. Ze herkent niemand meer in huis. Ze kent alleen haar liederen nog.

Uit Hartedier


Ik ben ontboden. Donderdag om tien uur precies.
Ik word steeds vaker ontboden: Dinsdag om tien uur precies, zaterdag om tien uur precies, woensdag of maandag. Alsof jaren een week zijn, ik ben al verbaasd dat het na de late zomer zo gauw weer winter is.
Op weg naar de tram hangen de struiken weer met hun witte bessen door de hagen. Als knopen van paarlemoer die er onderaan vastgenaaid zijn, misschien wel tot in de grond, of als broodbolletjes. Voor witte vogelkoppen met weggedraaide snavels zijn de bessen veel te klein, toch moet ik aan witte vogelkoppen denken. Daar word je duizelig van. Liever denk ik aan sneeuwspikkels in het gras, maar daar word je hulpeloos van, en van krijt slaperig.
De tram rijdt niet op vaste tijden.

Uit Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen