Bekijk hier het interview met Naomi Klein

Bekijk hier de film Shockdoctrine



  Website Uitgeverij De Geus



    
Home

    De shockdoctrine

    Fragment

    Naomi Klein

    Achtergrond

    Agenda

    Links

    Reacties / Pers

    Contact




Uit De shockdoctrine, De opkomst van rampenkapitalisme

Ik heb Jamar Perry in september 2005 ontmoet in het grote opvangkamp van het Rode Kruis te Baton Rouge in Louisiana. Hij stond in de rij voor het eten en werd zuinig bediend door grijnzende jonge scientology-aanhangers. Ik was zojuist op mijn nummer gezet omdat ik zonder toezicht met evacués had gesproken en deed nu mijn best in de menigte op te gaan, een blanke vrouw uit Canada in een zee van Afrikaans-Amerikaanse zuiderlingen. Ik dook de rij in achter Perry en vroeg hem met me te praten alsof we oude bekenden waren, en hij was zo vriendelijk dat te doen.
Hij was in New Orleans geboren en getogen en had de stad een week geleden verlaten. Hij leek ongeveer zeventien, maar zei tegen me dat hij drieëntwintig was. Zijn familie en hij hadden eindeloos op de evacuatiebussen zitten wachten; toen die niet kwamen, waren ze in de brandende zon de stad uit gelopen. Uiteindelijk waren ze hier terechtgekomen, een uitgestrekt congrescentrum, gewoonlijk de thuishaven voor commerciële presentaties van de farmaceutische industrie en ‘Capital City Carnage: The Ultimate in Steel Cage Fighting’, nu volgepropt met tweeduizend veldbedden en een chaotische massa boze uitgeputte mensen, bewaakt door pas uit Irak teruggekeerde nerveuze soldaten van de National Guard.
Het nieuws dat zich die dag als een lopend vuurtje door het opvangcentrum verspreidde, was dat Richard Baker, een vooraanstaand Republikeins lid van het Congres uit deze stad, tegen een groep lobbyisten had gezegd: ‘In New Orleans is de sociale woningbouw eindelijk opgeruimd. Wij waren daar niet toe in staat, maar God wel.’ Joseph Canizaro, een van de rijkste projectontwikkelaars van New Orleans, had onlangs uitdrukking gegeven aan een soortgelijk gevoel: ‘Ik denk dat we weer met een schone lei kunnen beginnen. En met die schone lei hebben we een paar bijzonder grote kansen.’ Die hele week had het in de State Legislature van Louisiana in Baton Rouge gekrioeld van lobbyisten uit het bedrijfsleven die hielpen die grote kansen te grijpen: lagere belastingen, minder reguleringen, goedkopere werkkrachten en een ‘kleinere, veiliger stad’ – wat in de praktijk het slopen van sociale woningbouw en vervanging daarvan door koopflats betekende. Wanneer je al dat gepraat over ‘een nieuwe start’ en ‘schone leien’ hoorde, zou je de gevaarlijke chaos van puin, giftig chemisch afval en menselijke resten, maar een paar kilometer verder de snelweg op, bijna vergeten.
Toen Jamar in het opvangcentrum was aangekomen, dacht hij hier voortdurend aan. ‘Ik zie dit echt niet als een schoonmaak van de stad. Wat ik zie, is dat veel mensen in de stad zijn omgekomen. Mensen die in leven hadden moeten blijven.’
Hij sprak zachtjes, maar een oudere man voor ons in de rij hoorde ons praten en draaide zich plotseling om. ‘Wat mankeert die lui in Baton Rouge? Dit is geen nieuwe kans. Het is verdomme een tragedie. Zijn ze soms blind?’
Een moeder van twee kinderen viel hem bij. ‘Nee, ze zijn niet blind, ze zijn slecht. Aan hun ogen mankeert niets.’

Een van de mensen die nieuwe kansen zagen in de overstroming van New Orleans was Milton Friedman, de toonaangevende goeroe van de beweging voor onbeteugeld kapitalisme en de man die het handboek voor de eigentijdse, hypermobiele mondiale economie op zijn naam had staan. ‘Uncle Miltie’, zoals zijn aanhangers hem noemden, was drieënnegentig jaar en zijn gezondheid liet te wensen over, maar niettemin had hij drie maanden nadat de dijken waren doorgebroken de kracht gevonden een ingezonden stuk aan The Wall Street Journal te schrijven. ‘De meeste scholen in New Orleans liggen in puin,’ merkte Friedman op, ‘evenals de huizen van de kinderen die deze scholen bezochten. De kinderen zijn nu over het hele land verspreid. Dit is een tragedie. Het is ook een kans om het onderwijssysteem radicaal te hervormen.’
Het radicale idee van Friedman was dat de regering een deel van de miljarden dollars voor de wederopbouw niet moest besteden aan het herstellen en verbeteren van het gangbare systeem van openbaar onderwijs in New Orleans, maar in plaats daarvan gezinnen waardebonnen moest geven, die ze bij particuliere onderwijsinstellingen, vaak met een winstoogmerk, konden besteden – instellingen die door de staat zouden worden gesubsidieerd. Het was van cruciaal belang, zo schreef hij, dat deze fundamentele verandering van het schoolsysteem geen noodoplossing zou zijn, maar ‘een duurzame hervorming’.
Een netwerk van rechtse onderzoekscommissies greep het voorstel van Friedman aan en daalde na de orkaan in de stad neer. De regering van George W. Bush steunde met tientallen miljoenen dollars hun plannen om de scholen van New Orleans te veranderen in ‘charterscholen’, in principe openbare scholen die door particuliere instanties volgens hun eigen regels worden geleid. Charterscholen hebben in de Verenigde Staten een krachtig polariserend effect, en nergens sterker dan in New Orleans, waar ze door veel Afrikaans-Amerikaanse ouders worden gezien als een middel om de verworvenheden van de beweging voor burgerrechten, waarbij een gelijk onderwijsniveau voor alle kinderen wordt gegarandeerd, terug te schroeven. Maar voor Milton Friedman rook het hele concept van een door de staat geleid schoolsysteem naar socialisme. Volgens hem was de functie van de staat ‘onze vrijheid beschermen, zowel tegen de vijanden buiten onze grenzen als tegen onze medeburgers, teneinde recht en orde te handhaven, toe te zien op de naleving van particuliere contracten en competitieve markten te stimuleren’. Met andere woorden, de politie en de soldaten moesten van middelen worden voorzien – al het andere, inclusief gratis onderwijs, was een oneerlijke verstoring van de markt.
In scherpe tegenstelling tot het trage tempo waarmee de waterkeringen werden hersteld en het elektriciteitsnet werd gerepareerd, vond de transformatie van het schoolsysteem van New Orleans met militaire snelheid en precisie plaats. Binnen negentien maanden waren de openbare scholen van New Orleans vrijwel volledig vervangen door particulier geleide charterscholen, ook al waren de meeste arme inwoners van de stad nog niet teruggekeerd. Voor de orkaan Katrina had de schoolcommissie de leiding over 123 openbare scholen; nu waren dat er nog maar vier. Voor die storm waren er zeven particuliere charterscholen in de stad; nu waren het er eenendertig, en er werden elke week nieuwe geopend. De leraren van New Orleans hadden zich altijd laten vertegenwoordigen door een sterke vakbond; nu was de collectieve arbeidsovereenkomst in snippers gescheurd en de 4700 leden van de vakbond waren allemaal ontslagen. Sommige jonge leraren werden opnieuw door de charterscholen in dienst genomen tegen een lager salaris, maar de meeste niet.
Volgens de The New York Times was New Orleans nu ‘de beste proeftuin van het land voor een wijdverbreid gebruik van charterscholen’, terwijl het American Enterprise Institute, een rechtse adviescommissie, dweepte dat ‘Katrina in één dag bereikt had... waar de onderwijshervormers na jarenlange pogingen niet in waren geslaagd’. Ondertussen zagen leraren van openbare scholen dat geld, bestemd voor de slachtoffers van de overstroming, werd gebruikt om een publiek systeem te ontmantelen en het te vervangen door een particulier systeem, en noemden het plan van Friedman ‘landroof in het onderwijs’.
Deze zorgvuldig georganiseerde overvallen op het publieke domein tijdens de nasleep van catastrofale gebeurtenissen, gecombineerd met de opvatting dat rampen spannende economische kansen zijn, noem ik rampenkapitalisme.