Website Uitgeverij De Geus
 
over DE AUTEUR
 
boek
 
waarom dit boek
 
EEN FRAGMENT
 
nieuws
 
weblog
 
Pers

 


Website Uitgeverij De Geus

 

Fragment uit De bange stad

Bagdad, april 2005

Een bruiloft

De kamer valt stil. Ali loopt haastig naar de geluidsinstallatie. De zangeres zwijgt midden in haar lied over Bagdad en de Dichters. De twee dansende paren blijven abrupt staan.
Opnieuw wordt er op de buitendeur gebonkt, nu nog harder.
‘Niet opendoen’, beveelt Ali.
Bezorgd drukt Athir zijn bruid Sarah dichter tegen zich aan. Ze houdt haar adem in. Iedereen luistert naar de geluiden buiten het huis.
Het zal niet waar zijn, denkt Athir, dat er op mijn trouwdag een militie aan de deur komt.
Hij kijkt de kamer rond. Met honderd mensen is de grote woonkamer van zijn ouders overvol. Stoelen en banken zijn opzij geschoven om plaats te bieden aan alle gasten en een dansje mogelijk te maken. Zijn ouders hebben bijna hun hele vriendenkring uitgenodigd. Sjiieten, soennieten en christenen – maar vooral ook een mengeling van die geloven. Van sommigen weet hij niet eens welk geloof ze aanhangen.
Athir ziet de angst in hun ogen. De angst om op klaarlichte dag te worden beroofd, ontvoerd, of misschien zelfs vermoord. Want in het Irak van vandaag trouwt een soenniet niet langer met een christelijk meisje. Dat was vroeger anders. Mensen mochten elkaar, of niet. Dat was bepalend.
Wat buiten de deur staat is het veranderde Irak. Het Irak van na Saddam Hoessein.
Het bonken is toegenomen. Athirs moeder loopt naar de tussendeur.
‘Niet opendoen, Beida!’ waarschuwt een van de gasten.
‘Dan breken ze de deur open’, roept ze terug.
Er wordt nu met iets zwaars tegen de massieve houten voordeur gebeukt.
Athirs tweede moeder Suad voegt zich bij Beida. Beide vrouwen slaan grote sjaals over hun feestjurken, hoewel het een fraaie, warme aprildag is. Maar Iraakse vrouwen wagen zich niet meer buiten met onbedekte schouders. Nog twee vrouwen komen naar voren.
Women power’, lacht Suad. Haar lach is onecht, en dat ontgaat Athir niet. Die is bedoeld om iedereen moed te geven, om de kou uit de lucht te halen.
Maar de angst is voelbaar. Vier vrouwen gaan hen redden. Wat zijn we voor mannen, dat we onze vrouwen het gevaar laten bezweren? vraagt Athir zich af. Alleen omdat het Bagdad van vandaag gevaarlijker is voor mannen dan voor vrouwen? Vrouwen worden lastiggevallen, berispt als ze geen hoofddoek dragen. Soms worden ze verkracht. Maar ze overleven. Meestal.
Athir schaamt zich voor wat er gebeurt. Hij voelt zich verantwoordelijk, dit is zijn bruiloft. Hij moet iets bedenken.
Baba’, zegt hij, zijn ogen zoeken zijn vader. ‘Geef ze geld, want daar komen ze voor.’
Meteen bemoeit de hele kamer zich ermee.
‘Niet doen, Abu Athir,’ zegt een van de buren, ‘dat lost niets op en je bent het geld kwijt.’ ‘Ze hebben de muziek natuurlijk gehoord en komen op ons goud af’, zegt een ander.
De vrouwen draaien zenuwachtig aan hun ringen. De zware gouden kettingen om hun halzen en tailles laten zich niet verbergen onder de blote feestjurken. Bloot genoeg om een militie van welke religieuze kleur dan ook tot woede te brengen, bedenkt Athir.
Zijn vader loopt al gehaast de trap op, naar zijn slaapkamer waar het geld ligt.
‘Suad, Beida, even wachten’, roept hij zijn beide vrouwen toe.
De voordeur weerstaat de klappen nog steeds, maar het zal niet lang duren voor de bandieten binnen zijn. Schiet op, baba, denkt Athir, we hebben niet veel tijd meer voor vreedzame oplossingen.
‘Blijf weg bij de deur’, waarschuwt Ali. ‘Straks schieten ze het slot kapot.’
Meteen klinken er schoten. Metaal op metaal. Hout versplintert.
Athirs vader haast zich de trap af met een pakje dollars. Suad grist dat uit zijn hand, rent naar de vrouwen bij de voordeur. De tussendeur klapt achter haar dicht.
In de kamer mompelt een enkeling een gebed.
Beida roept dat ze moeten ophouden met schieten, dat ze de deur gaat opendoen.
Op dat moment voelt Athir zijn mobieltje trillen in zijn zak. Hij haalt hem tevoorschijn en kijkt op het schermpje. Het is Wisam, een vriend die bij de politie werkt. Dat kan geen toeval zijn. Waarom heeft hij zelf de politie eigenlijk niet gebeld?
Hij drukt op het groene telefoontje. ‘We zijn onderweg’, zegt zijn vriend kortaf, voor die de verbinding verbreekt.
‘Rustig, rustig!’ roept Suad bij de deur.
‘De politie is onderweg’, zegt Athir. De verbazing klinkt door in zijn stem. Wisam was uitgenodigd voor het huwelijksfeest, maar hij kon zijn dienst niet ruilen om erbij te zijn. Maar hoe weet hij al zo snel dat … Athir duwt het wantrouwen weg. Nee, Wisam is een eerlijke jongen. Niet corrupt zoals de meeste van zijn collega’s. Het is een publiek geheim dat die bijna stuk voor stuk samenwerken met de criminele sjiitische milities.
‘Nee, verder kom je niet, woelek’, hoort hij de kalme stem van zijn tweede moeder vanuit de hal. Wat een koele kikker is tante Suad toch soms, denkt hij waarderend.
‘Hier moet je het mee doen.’
Aan haar stem te horen staat Suad tegen de tussendeur aan. Ze heeft de dollars overhandigd. Maar natuurlijk willen die jongens meer. Ze weten dat er goud te halen is, hier, in dit rijke deel van Adhamya. Zo makkelijk laten ze zich niet afkopen. Bovendien weegt de kick van het aannemen van een pakje dollars niet op tegen het terroriseren van een kamer vol belangrijke mensen.
In de verte hoort Athir nu sirenes.

uitgeverij De Geus