Rashid Novaire

 

 

 

 
  DE AUTEUR
 
  TITEls
 
  Interview
 
  PERS
   
 

 

 

 

Fragment uit Het lied van de rog

 

‘Ik ben op deze tocht meerdere malen gevangengenomen’, antwoordt Li Ting. ‘De eerste keer door een jongen van de rivier. Hij onteerde me. Hij sloeg me. Maar hij is altijd dicht bij me. Ik voel dat hij ook nu hier is. Op een van de donkere dagen in zijn huis hoorde ik hem opeens zingen:

Een rog aaien,
wil ik met jou,
ronde vis in water,
en als we oud en moe zijn weten we het nog
toen aaiden we een rog
we weten het nog,
later’

Ze laat een lange stilte vallen na het lied. Ze springt van de steen af en bukt zich om naar haar onderbenen te tasten waar ze een mes tevoorschijn trekt. Met haar rechterarm uitgestrekt trekt ze voorzichtig een dunne snee over haar huid en loopt naar een boom. Ze tekent een ronde vis in bloed op de stam en gaat weer terug naar haar steen. En als ze weer spreekt volgen zelfs de kinderen haar woorden, ook al begrijpen ze er weinig van. ‘Mijn strijd heet “het lied van de rog”. Het geheim is, dat in ieder lied en in ieder verhaal van ons nederige mensen het bewijs schuilt dat wij geen onderworpenen zijn van een wrede keizer, maar wezens met een ziel, dat er een plaats in de hemel voor ons is als we ons laatste lied hebben gezongen. Een lied over dat wat we nog willen gaan doen, op een lichte dag, op een dag van vrijheid. Een lied over wat we ons herinneren als we oud en moe zijn en de meeste dingen zijn vergeten. Jullie zijn sterk. De keizerlijken zijn zwak. Als alle mensen zich verzamelen en hun krachten bundelen, dan eren we de goden die ons al door de zonsverduistering lieten weten dat Zhou Xin het mandaat van de hemel heeft verloren. De macht is aan ons en ze groeit vanuit de liederen die we delen. De verhalen die we samen kennen. De verhalen die mijn vader aan mij vertelde. Verhalen over niet-bestaande plaatsen, die hij uittekende op de kaarten die ik draag op mijn borst.’
Wu komt achter haar staan. Ik maak je stuk en blijf met schone handen achter, denkt hij. Ze draait zich naar hem om en knikt naar hem. Het is gaan regenen, geen grote druppels maar een gestage, miezerige regen die een grijze waas over de gezichten rondom haar legt en waardoor de omgeving zijn scherpte verliest. Wu kijkt haar dreigend aan. Een dreiging die haar waarschuwt, haar terughaalt naar het hier en nu van het bos. Ze is kwaad, zoals ze zich al eerder voelde toen ze oog in oog stond met zijn hooghartigheid. Hij maakt een ronde tussen de mensen door. Gespannen kijkt ze naar zijn vadsige rug, omlaag, naar zijn broek: zijn billen zijn rond en vrouwelijk. Het geel van zijn huid is het geel van de aarde in zijn landsdeel, zijn kort afgesneden vlecht glanst niet zo als die van de mannen uit Yin, en zijn ogen zijn smalle kerven in zijn gezicht die niets verraden. Hij lijkt op niemand die ze kent. Als iemand haar verder kan helpen is hij het. Met een speelse buiging draait hij zich te midden van zijn mensen naar haar toe. ‘Als ik jou zo hoor word ik bang’, zegt hij. ‘Ben jij nooit bang?’
Hij gooit haar in een krachtige boog een zwaard toe.
‘Jawel’, zegt Li Ting. Ze vangt het zwaard.
‘Ik laat mensen graag vechten met hun vijanden voor ik ze opneem als vrienden’, zegt Wu opnieuw lachend en ze volgt zijn blik naar de keizerlijke strijders die uit het bos de heuvel afkomen. Fu Chen is er ook bij, hij loopt mee met de voorste paarden.
‘Rustig maar’, zegt Wu. ‘Ik laat je niet tegen al deze mannen vechten. Het is Da Xue die ik naar voren roep.’
Da Xue loopt naar de steen toe en houdt zijn schild voor zich. Hij neemt kleine passen. Hij komt dicht bij haar en eindelijk voelt ze de angst, niet als een indringer in het huis van haar kalmte, eerder als een trouwe gast die ze tot nu toe heeft weten te negeren. Ze kijkt snel naar Fu Chen, die zich schaart tussen de andere strijders die zich op hun beurt weer voegen bij de volgelingen van Wu. De jongen geeft haar kracht.
Ze zakt door haar knieën alsof ze zich aan het schild zal onderwerpen, maar dan zet ze een pas achteruit en met haar linkervoet trapt ze tegen het keizersteken op het schild. Ze trapt een tweede keer. Da Xue laat het schild zakken en stapt achteruit. Hij geeft een schreeuw, om zichzelf op te zwepen. Hij geeft het schild aan Peng-Hu en trekt zijn zwaard. Hij gaat recht op haar af en schreeuwt nog eens, harder. De echo is nauwelijks verstomd of Li Ting beantwoordt hem met een schellere, hogere kreet. Li Ting loopt een halve cirkel om hem heen. ‘Jij bent het’, zegt ze.
‘Ja, ik ben het.’
‘Ik ken je niet,’ zegt ze, ‘maar ik hecht aan je, want je hebt me al veel gekost.’
‘Jij krijgt vast niet te weinig eer van deze mensen, jij met je dure woorden.’
‘Ik krijg nooit te weinig eer. Soms krijg ik helemaal geen eer. Maar nooit te weinig eer.’ Ze nadert hem en zegt: ‘Jij komt me zeker om vergeving vragen.’
‘Waarvoor?’
‘Voor het ombrengen van de mooiste vrouw die ik ken.’
‘Ik kom je afmaken, hoer.’
Li Ting houdt haar hoofd scheef, alsof ze hem niet heeft verstaan.
‘Dek me eerst’, bijt ze hem toe. ‘Noem me dan pas een hoer.’
‘Het is te laat om jou te dekken.’ Ze blijft om hem heen draaien. Hij draait mee en wacht af. ‘Volgens mij weet je niet eens hoeveel er op je hoofd staat. Misschien vleit het je dat het hele hof je minacht. Om hoe je in Yin hebt gesproken. Om hoe je de keizerlijke wetten veracht.’ Li Ting valt uit met haar zwaard. Hij springt opzij. Ze steekt nog eens. Ze draaien om elkaar heen.
‘Waarom wachten?’ zegt Li Ting. ‘Ik ben hier om jou te doden of door jou gedood te worden.’
Met kleine stappen loopt hij op haar toe. Hij kantelt zijn hoofd net zo scheef als zij het hare, alsof hij haar steeds wil spiegelen.
‘Kom’, zegt hij. ‘Iemand moet als eerste steken. Ik wil zien wat je hebt geleerd.’


>> terug naar titels