|
Fragment uit Het lied van de rog
‘Ik ben op deze tocht meerdere malen gevangengenomen’,
antwoordt Li Ting. ‘De eerste keer door een jongen van de
rivier. Hij onteerde me. Hij sloeg me. Maar hij is altijd dicht
bij me. Ik voel dat hij ook nu hier is. Op een van de donkere dagen
in zijn huis hoorde ik hem opeens zingen:
Een rog aaien,
wil ik met jou,
ronde vis in water,
en als we oud en moe zijn weten we het nog
toen aaiden we een rog
we weten het nog,
later’
Ze laat een lange stilte vallen na het lied. Ze springt
van de steen af en bukt zich om naar haar onderbenen te tasten waar
ze een mes tevoorschijn trekt. Met haar rechterarm uitgestrekt trekt
ze voorzichtig een dunne snee over haar huid en loopt naar een boom.
Ze tekent een ronde vis in bloed op de stam en gaat weer terug naar
haar steen. En als ze weer spreekt volgen zelfs de kinderen haar
woorden, ook al begrijpen ze er weinig van. ‘Mijn strijd heet
“het lied van de rog”. Het geheim is, dat in ieder lied
en in ieder verhaal van ons nederige mensen het bewijs schuilt dat
wij geen onderworpenen zijn van een wrede keizer, maar wezens met
een ziel, dat er een plaats in de hemel voor ons is als we ons laatste
lied hebben gezongen. Een lied over dat wat we nog willen gaan doen,
op een lichte dag, op een dag van vrijheid. Een lied over wat we
ons herinneren als we oud en moe zijn en de meeste dingen zijn vergeten.
Jullie zijn sterk. De keizerlijken zijn zwak. Als alle mensen zich
verzamelen en hun krachten bundelen, dan eren we de goden die ons
al door de zonsverduistering lieten weten dat Zhou Xin het mandaat
van de hemel heeft verloren. De macht is aan ons en ze groeit vanuit
de liederen die we delen. De verhalen die we samen kennen. De verhalen
die mijn vader aan mij vertelde. Verhalen over niet-bestaande plaatsen,
die hij uittekende op de kaarten die ik draag op mijn borst.’
Wu komt achter haar staan. Ik maak je stuk en blijf met schone handen
achter, denkt hij. Ze draait zich naar hem om en knikt naar hem.
Het is gaan regenen, geen grote druppels maar een gestage, miezerige
regen die een grijze waas over de gezichten rondom haar legt en
waardoor de omgeving zijn scherpte verliest. Wu kijkt haar dreigend
aan. Een dreiging die haar waarschuwt, haar terughaalt naar het
hier en nu van het bos. Ze is kwaad, zoals ze zich al eerder voelde
toen ze oog in oog stond met zijn hooghartigheid. Hij maakt een
ronde tussen de mensen door. Gespannen kijkt ze naar zijn vadsige
rug, omlaag, naar zijn broek: zijn billen zijn rond en vrouwelijk.
Het geel van zijn huid is het geel van de aarde in zijn landsdeel,
zijn kort afgesneden vlecht glanst niet zo als die van de mannen
uit Yin, en zijn ogen zijn smalle kerven in zijn gezicht die niets
verraden. Hij lijkt op niemand die ze kent. Als iemand haar verder
kan helpen is hij het. Met een speelse buiging draait hij zich te
midden van zijn mensen naar haar toe. ‘Als ik jou zo hoor
word ik bang’, zegt hij. ‘Ben jij nooit bang?’
Hij gooit haar in een krachtige boog een zwaard toe.
‘Jawel’, zegt Li Ting. Ze vangt het zwaard.
‘Ik laat mensen graag vechten met hun vijanden voor ik ze
opneem als vrienden’, zegt Wu opnieuw lachend en ze volgt
zijn blik naar de keizerlijke strijders die uit het bos de heuvel
afkomen. Fu Chen is er ook bij, hij loopt mee met de voorste paarden.
‘Rustig maar’, zegt Wu. ‘Ik laat je niet tegen
al deze mannen vechten. Het is Da Xue die ik naar voren roep.’
Da Xue loopt naar de steen toe en houdt zijn schild voor zich. Hij
neemt kleine passen. Hij komt dicht bij haar en eindelijk voelt
ze de angst, niet als een indringer in het huis van haar kalmte,
eerder als een trouwe gast die ze tot nu toe heeft weten te negeren.
Ze kijkt snel naar Fu Chen, die zich schaart tussen de andere strijders
die zich op hun beurt weer voegen bij de volgelingen van Wu. De
jongen geeft haar kracht.
Ze zakt door haar knieën alsof ze zich aan het schild zal onderwerpen,
maar dan zet ze een pas achteruit en met haar linkervoet trapt ze
tegen het keizersteken op het schild. Ze trapt een tweede keer.
Da Xue laat het schild zakken en stapt achteruit. Hij geeft een
schreeuw, om zichzelf op te zwepen. Hij geeft het schild aan Peng-Hu
en trekt zijn zwaard. Hij gaat recht op haar af en schreeuwt nog
eens, harder. De echo is nauwelijks verstomd of Li Ting beantwoordt
hem met een schellere, hogere kreet. Li Ting loopt een halve cirkel
om hem heen. ‘Jij bent het’, zegt ze.
‘Ja, ik ben het.’
‘Ik ken je niet,’ zegt ze, ‘maar ik hecht aan
je, want je hebt me al veel gekost.’
‘Jij krijgt vast niet te weinig eer van deze mensen, jij met
je dure woorden.’
‘Ik krijg nooit te weinig eer. Soms krijg ik helemaal geen
eer. Maar nooit te weinig eer.’ Ze nadert hem en zegt: ‘Jij
komt me zeker om vergeving vragen.’
‘Waarvoor?’
‘Voor het ombrengen van de mooiste vrouw die ik ken.’
‘Ik kom je afmaken, hoer.’
Li Ting houdt haar hoofd scheef, alsof ze hem niet heeft verstaan.
‘Dek me eerst’, bijt ze hem toe. ‘Noem me dan
pas een hoer.’
‘Het is te laat om jou te dekken.’ Ze blijft om hem
heen draaien. Hij draait mee en wacht af. ‘Volgens mij weet
je niet eens hoeveel er op je hoofd staat. Misschien vleit het je
dat het hele hof je minacht. Om hoe je in Yin hebt gesproken. Om
hoe je de keizerlijke wetten veracht.’ Li Ting valt uit met
haar zwaard. Hij springt opzij. Ze steekt nog eens. Ze draaien om
elkaar heen.
‘Waarom wachten?’ zegt Li Ting. ‘Ik ben hier om
jou te doden of door jou gedood te worden.’
Met kleine stappen loopt hij op haar toe. Hij kantelt zijn hoofd
net zo scheef als zij het hare, alsof hij haar steeds wil spiegelen.
‘Kom’, zegt hij. ‘Iemand moet als eerste steken.
Ik wil zien wat je hebt geleerd.’
>> terug
naar titels
|