Rashid Novaire

 

 

 

 
  DE AUTEUR
 
  TITEls
 
  Interview
 
  PERS
   
 

 

 

 

Interview met Rashid Novaire

 

‘Ik eigen mij de feiten toe’

Rashid Novaire geldt sinds zijn debuut in 1999 als een talentrijk auteur. Zijn verhalenbundel Reigers in Caïro werd zeer lovend ontvangen en zijn roman Maïsroest werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2004. Met Het lied van de rog is Rashid Novaire voorbij de status van ‘beloftevol’. Met de grote, epische roman lost hij de beloftes in één keer in. Het lied van de rog is een imponerende roman over een religieuze revolutie in historisch China, maar het verhaal biedt verrassend veel overeenkomsten met onze tijd.

Rashid Novaire: ‘In een boekhandel in Amsterdam vond ik het boek The Rise and Fall of the Chinese Empire. Een boek vol verraad en bloedvergieten. Ik voelde me altijd al aangetrokken tot Aziatische vechtfilms als Crouching Tiger, Hidden Dragon, vanwege de symbiose die daarin besloten ligt tussen tederheid en wreedheid. In het boek las ik dat nobelen, in het China van vóór de elfde eeuw voor Christus, na hun dood toegang hadden tot de hemelen, maar dat het gewone volk geen ziel had; slechts een dierlijke geest, die gedoemd was eeuwig rond het lichaam te blijven zwerven. In andere passages in het boek werd geschreven over rivieren in het noorden die zo hoog stonden dat de oevers voortdurend moesten worden opgehoogd. Op de fiets naar huis langs de Amsterdamse grachten ontstond toen een van de hoofdpersonen uit mijn boek: Fu Chen, de oeverbouwer. Een jongen die dagelijks met zijn net in de rivier staat om er modder uit te scheppen zodat de bedding niet dichtslibt. Modder die ’s nachts weer opnieuw vanuit de grote vlakte wordt aangevoerd. Ik was gefascineerd door dat beeld, het oneindige ervan.

Fu Chens kleine, overzichtelijke wereld wilde ik in conflict brengen met de grote, verwarrende wereld. Daarvoor diende zich Li Ting aan. Je zou haar kunnen zien als een Ayaan Hirsi Ali van het oude China. Imponerend door haar overmoed en gedrevenheid, maar ook weerstand oproepend door haar woede en haar haast. Beide vrouwen zijn liever kwaad dan bang. Li Ting ageert tegen de legendarisch wrede keizer Zhou Xin en probeert het volk te mobiliseren om tegen hem en zijn wetten rond hemelen en aarde in opstand te komen. Een samenbindend element daarbij is het “lied van de rog”.’

Li Ting komt in het leven van Fu Chen wanneer zij gevangen wordt genomen en Fu Chen als haar bewaker wordt aangewezen. Ze weet echter te ontkomen, waarna Fu Chen uit het dorp wordt weggestuurd en haar volgt. Hij raakt gefascineerd door de vrouw en haar religieuze strijd om het recht op een ziel. ‘Li Ting stelt haar leven in de waagschaal, terwijl ze dat eigenlijk niet hoeft te doen. Ze kan blijven zitten waar ze zit – ooit behoorde ze tot de hofhouding van de keizer – maar ze neemt het risico van de strijd. Daarmee brengt ze ook anderen in risicovolle situaties. Ze is voor sommigen een heldin, maar het gevaar dat ze vormt voor haar eigen volgelingen is tegelijkertijd ook erg groot.’

Door de combinatie van het kleine persoonlijke en het grote zwaarwichtige krijgt Het lied van de rog een grote reikwijdte. Om dat teweeg te brengen grijpt Rashid Novaire terug op een werkwijze die hij ook succesvol toepaste in zijn eerdere boeken: ‘De geschiedenis is voor mij altijd een arena voor de verbeelding. Dat was al zo in mijn verhalen in Reigers in Caïro en ook in Maïsroest. Wat ik van de historische feiten weet, verweef ik in de plot. Maar de feiten zijn nooit een keurslijf, ik zal altijd kiezen voor het verhaal. Ik eigen me de feiten toe en lieg de waarheid. Ik heb een half jaar in China gewoond om research te doen voor Het lied van de rog. Maar veel belangrijker nog dan historisch bronnenonderzoek was het voor mij om, zoals Abdelkader Benali het ooit prachtig verwoordde, “de stilte tussen mensen te zien bewegen” en het Chinees te horen. Een taal die je niet kent prikkelt de fantasie. In het boek spelen bijvoorbeeld ook kaarten van gebieden die niet bestaan een belangrijke rol, maar ik laat de mensen wel geloven in de getekende gebieden. In die zin is de verbeelding alles voor mij.’