Fragment uit Salto mortale
Met een volle koffiemok in haar hand staat Simone
van de ontbijttafel op om zich aan het gekakel van de anderen te
onttrekken. De dag begon niet zoals het hoort. Eerst was er die
droom, waarin zij door een in het zwart geklede vrouw met griezelig
lege ogen werd aangestaard en waarin zij verantwoording moest afleggen
voor iets wat zij niet had gedaan. Wat ze ook probeerde om de vrouw
uit haar staar te wekken, aan die veroordelende blik ontkwam ze
niet. Daarna was er een ruzie tussen Anaïs en Zoë, waarvan
Simone weinig verstond, maar die fel genoeg was om haar al wankele
ochtendstemming te doen instorten. En tot slot was er de respons
van Colette op het voornemen van Zoë om voor haar dertigste
alle werelddelen te zien: ‘Toen ik zo jong was als jij, kon
ik ook doen wat ik wilde.’ De kans dat haar humeur vandaag
nog zou herstellen, was verkeken.
In de keuken drinkt ze staande haar koffie en spoelt de mok daarna
onder de kraan schoon. Ouderdom als uitvlucht, het maakt Simone
ziek. Vrijheidsontkenners gebruiken altijd hetzelfde excuus: dat
iedere keuze die je maakt, het veld van mogelijkheden verkleint.
Dat een partner, een kind, een baan en een hypotheek morele en financiële
verantwoordelijkheden vergen waarmee je rekening moet houden. En
dat een twintiger zich niet kan voorstellen hoe het leven van een
vijftiger is, en andersom wel.
Ze had Colette graag de les gelezen over categorische vrijheid en
de verantwoordelijkheden die daaraan vastzitten, maar omdat ze vermoedde
dat een les bij de commandant niet in goede aarde zou vallen en
ze praktisch genoeg was om onnodige scènes te vermijden,
had ze haar argumenten ingeslikt. Tegen een ander zou ze gezegd
hebben dat vrijheid niet betekent dat je alles achter je moet laten,
dat het alleen een houding is, een bereidheid om jezelf steeds opnieuw
te definiëren.
Simone loopt de voordeur uit en gaat op de trap van het bordes zitten.
Wat zijn onze westerse verworvenheden waard als je een huis niet
kunt verkopen, een baan niet kunt opzeggen of een land niet kunt
verlaten? Wat heb je aan een vrije wil als je je door een achtergrond
of situatie laat bepalen? Simone duwt haar gympen in het grind zodat
het knispert. Mensen worden met de vrijheid van de verbeelding geboren
en sterven binnen de grenzen van hun zelfgemaakte realiteit.
In gedachten citeert ze haar vader: wie ontkent vrij te zijn, is
op zoek naar een verklaring voor de gevangenschap die hij ervaart
en die juist door die ontkenning in stand wordt gehouden. Zelfs
haar moeder begrijpt deze simpele waarheid. Zelfs als je nogal curieuze
opvattingen hebt over reïncarnatie en voorbestemming, zoals
zij, lukt het niet vrijheid te ontkennen. Want vrijheid betekent
ook dwarsliggen, recalcitrant zijn en niet aan de verwachtingen
voldoen. Je kunt anders zijn dan je normaal bent en het voorspelbare
beloop doorbreken, alleen om te laten zien dat er geen ijzeren wetten
zijn die je beperken.
Simone staat op, loopt richting het meer en bedenkt zich. Op zoek
naar schaduw komt ze aan de achterkant van het kasteel uit. Het
is angst die mensen ervan weerhoudt nieuwe wegen in te slaan. Angst
voor de toevalligheid van hun keuzes. Mensen beweren dat ze hun
vrijheid zijn kwijtgeraakt om hun leven het gewicht van noodzakelijkheid
te geven. Met leeftijd heeft het niets te maken. Vrijheid is geen
wisselbeker die je in je jeugd krijgt uitgereikt en later weer moet
inleveren. Vrijheid is een niet-terugvorderbaar voorschot op het
leven zelf.
Zonder zich iets aan te trekken van het schema dat Colette heeft
gemaakt (en volgens welk ze over tien minuten in een van de bovenkamers
wordt verwacht), haalt ze haar notitieboekje en pen uit haar kamer
en gaat buiten met haar rug tegen de kastanjeboom zitten. De stam
is op precies de juiste hoogte uitgehold, zodat hij een comfortabele
leuning vormt en het mos tussen de wortels is als een laag dons
onder haar magere billen.
De eerste zinnen vormen zich stroef, pas als Simone haar omgeving
vergeet, lukt het om wat ze in haar hoofd heeft, op papier te krijgen.
‘Dag 6. Vervolg E. Haar onzekerheid toont zich ook in de voorzichtigheid
waarmee ze uitspraken doet. Zodra ze merkt dat iemand het met haar
oneens is, relativeert ze wat ze zojuist heeft gezegd, zodat het
lastig is te achterhalen wat ze werkelijk denkt. Ze heeft bekend
dat zij zich heeft ingeschreven vanwege de therapeutische werking
van deconstructie en opbouw, maar niemand durft te vragen welk trauma
heling behoeft. Of niemand heeft interesse, dat ligt waarschijnlijk
dichter bij de waarheid. Anders dan E doet Z geen moeite om aardig
gevonden te worden. Ze lijkt anderen te minachten, vooral A en C,
maar is evenmin zeker van zichzelf. (In Zoë herken ik mezelf!)
Ze vecht tegen het verlangen om te zijn wie anderen willen dat ze
is. En tegelijk is zij opmerkzaam. Haar routineuze antwoorden en
plichtmatige glimlachjes bewijzen dat zij zich voortdurend van anderen
bewust is. Een geharnaste hunkering naar erkenning?’
‘Wat schrijf je?’
Simone klapt haar boekje geschrokken dicht. Ze heeft Zoë niet
zien aankomen.
‘Ik, eh …’
‘Ik zag mijn naam staan. Schrijf je over mij?’
‘Nee, niet specifiek, over alles, de reis, het kasteel.’
‘Mag ik lezen wat je over mij hebt geschreven?’
‘Nee. Dit is mijn dagboek, dat laat ik aan niemand lezen.’
‘Waarom schrijf je als niemand het leest?’
‘Om te kunnen begrijpen. Pas als ik ergens een verhaal van
maak, wordt het een stuk van mijn leven. Als ik ergens niet over
schrijf, wil ik de gebeurtenis vergeten of als onbelangrijk afdoen.
Schrijven geeft me de illusie dat mijn leven, of beter gezegd mijn
verleden, maakbaar is.’
Zoë knikt en draait zich om zonder nog iets te vragen.
Simone zucht opgelucht. Ze wist niet dat ze zo goed kon liegen.
|