| Fragment
Het wenshuis
Ze
schudde haar hoofd en snoot haar neus
nog
een keer.
‘Ik zal me inhouden’, zei ze. ‘Het is alleen …
Je kunt je gewoon niet voorstellen dat die twee het klaarspelen
…’
Erlend onderbrak haar: ‘Je hebt gedaan wat je kon. Je hebt
zelfs mij zover gekregen naar de … Godallemachtig, Torunn,
je was gewoon geweldig! Zo in te springen hoewel je nog nooit een
voet op de boerderij had gezet. Maar nu gaan we. Ik wil naar huis
om Oud en Nieuw te vieren. Het is voorbij.’
Nee, dacht Torunn, je vergist je, het begint net.
Fragment
Het leugenhuis
Anderhalve
dag voordat hij er serieus toe werd gedwongen zich te realiseren
dat ze niet eeuwig zou leven, beende hij met rammelende maag terug
over de binnenplaats. Hij hoorde de kerkklokken van Byneset oproepen
tot de zondagsdienst. Voor hem betekenden die klokken ontbijt en
hadden ze weinig met Gods Woord te maken. Blauw decemberlicht lag
over de met sneeuw bedekte heuvels en de zwarte fjord, het was helder
weer, je zag een paar sterren. Hem had het niet uitgemaakt als het
had gesneeuwd, hij hield ervan op de trekker te zitten en zuivere
witte lijnen achter zich te trekken, scherp doorsneden hopen sneeuw
aan beide kanten van de esdoornlaan. De bomen leken net zwarte,
naar de hemel gestrekte handen, elegant op gelijke afstand van elkaar
geplant, zo lang geleden dat je je mogelijk kon voorstellen dat
men de oprijlaan naar Neshov luister bij wilde zetten en een zekere
welstand en gastvrijheid wilde tonen. Hij vond dat de oprijlaan
een pijnlijk pompeuze en leugenachtige indruk maakte, hij had graag
boom voor boom willen omzagen, maar die beslissing lag niet bij
hem.<br>
Hij was al uren in de varkensstal bezig geweest en nu wilde hij
zoals gewoonlijk eerst iets eten voordat hij weer terugging. Hij
had een zeug die elk moment kon werpen. Toen ontdekte hij dat de
gordijnen in de slaapkamer van zijn moeder op de eerste verdieping
nog dicht waren. <br>
Ze stond altijd op als hij om zeven uur naar de stal ging, om het
ontbijt klaar te maken voor hij weer binnenkwam.<br>
In de gang rook het niet naar koffie. De keuken was leeg en koud
toen hij de deur opendeed. Toch deed hij hem gauw achter zich dicht,
als om nog meer kou buiten te houden. <br>
Het oude houtfornuis was niet opgestookt, er klonk geen geluid uit
de radio onder de Coöp-kalender in de hoek van het aanrecht.
De tafel was niet gedekt: geen eierdopjes en theelepeltjes zoals
’s zondags altijd het geval was, en geen stukje opgevouwen
closetpapier naast het bord van zijn vader, aangezien hij altijd
eigeel in de baardstoppels op zijn kin morste. De keuken was opeens
zomaar een vertrek, alsof hij hem nog nooit eerder had gezien, het
lampje boven het fornuis was het enige wat brandde, een klein driehoekig
schijnsel bedoeld voor kookplaten en pannen en koffieketels en activiteit.
Zijn hart begon sneller te kloppen. Hij bleef radeloos naar het
fornuis staan staren en probeerde hier op een of andere manier wijs
uit te worden. Hij ontdekte dat zijn handen beefden toen hij water
op oude koffieprut in de ketel liet lopen en een boterham sneed,
die hij met margarine en een paar flardjes nagelkaas belegde. De
kaas pakte hij zorgvuldig weer in. Toen het uiteinde van het plastic
zakje er een paar keer omheen was gewikkeld, pakte hij bovendien
nog een elastiekje van de spijker waar de kalender aan hing en bond
dat er een paar maal omheen, waarna hij het geheel teruglegde in
de koelkast. Hij wachtte tot de koffie kookte en probeerde niet
te veel na te denken terwijl hij naar het toenemend ziedende geluid
van het water luisterde. Hij schonk koffie in een kopje dat hij
op goed geluk uit de kast had gepakt, het was niet zijn eigen kopje,
maar eentje dat ze nauwelijks gebruikten, met een roze bloemetje
in een soort geruite opdruk. De prut was nog niet naar de bodem
gezakt, de koffie zat vol zwarte pitjes, maar toch nam hij een slok,
hij rekende erop dat het wel zou zakken. Hij voelde de warmte van
het kopje door zijn handpalm stromen. Hij at zijn boterham staande
bij het aanrecht terwijl hij door het raam de koolmezen gadesloeg,
die met een stuk spek bezig waren dat met touw was omwonden en aan
een laaghangende tak van de boom op de binnenplaats was bevestigd.
Dat stuk spek hing daar al lang. Het draaide rond en rond terwijl
de koolmees er op zijn kop hangend in pikte, in het opgewonden tempo
dat kleine vogels eigen was. Vlak erboven was een plank aan de stam
bevestigd. Daar landden drie mussen op en ze pikten met hun snavels
in de lege houten plank. Die was al een hele tijd leeg. Hij luisterde
met zijn gezicht naar de bovenverdieping gericht, maar hij hoorde
niets. Geen enkel geluid. De thermometer buiten voor het keukenraam
gaf negen graden onder nul aan. Gisteren was het twee graden boven.
Grootvader Tallak had zestig jaar lang een logboek bijgehouden over
het weer, hij zat altijd ’s avonds aan de keukentafel te schrijven.
Daarna hield hij een quiz over de weersgesteldheid op bepaalde dagen
in het verleden, of hij declameerde luid uit zijn aantekeningen
uit de oorlog en die warme lentes en zomers nadat de Duitsers als
honden het land uit waren gejaagd.
Hij was eigenlijk van plan geweest om er zelf mee door te gaan,
vanaf het moment dat grootvader Tallak was opgehouden. Maar toen
de oude man stierf, stierf ook zijn vreugde en het juichende jongensachtige
enthousiasme voor al die ietwat nutteloze informatie. En het was
een beetje laat om nu nog met een logboek over het weer te beginnen.
<br>
Dat idee had hij trouwens al jaren, dat het te laat was.

|