Interview

Waanzin met wallen - Thomas Blondeau

Het beste debuut sinds Arnon Grunberg, is Slaap! van de Vlaamse Annelies Verbeke al genoemd. Woensdag wordt ze met collega-debutanten Niels 't Hooft en Martijn Knol in boekhandel Kooyker geïnterviewd. 'De ziekte van deze tijd: inzien dat je niet groots en meeslepend hebt geleefd.'

Voor dromen is er geen plaats in de wereld van Annelies Verbeke (27). Haar debuutroman Slaap! beschrijft de dooltocht van twee slapeloze zielen, de jonge Maya en Benoit, een man die niet kan kiezen tussen opgroeien en krankzinnigheid. Ze nemen de lezer mee langs de schemerzones van een stad: bordelen, cafés en claustrofobische slaapkamers vormen het decor voor deze handleiding tot waanzin. Dat dit boek inmiddels op menig nachtkastje ligt – naast de rohypnol en valeriaan – mag blijken uit het feit dat het vier maanden na zijn release al evenveel herdrukken kende. Een Nederlandse recensent noemde Slaap! het beste debuut sinds Arnon Grunberg. Tijd voor wat pillow talk.

Je schrijft dat je personages in het saaiste land ter wereld leven. Tegelijkertijd laat je geen druppel actualiteit toe in het boek. Zo wordt het natuurlijk snel een statische boel. 'Ik geef toe dat ik België niet bepaald een spannend land vind. Maar de reden dat ik elke actualiteit uit het boek heb geweerd, is dat de buitenwereld er helemaal niet toe doet voor mijn personages. Daarom benoem ik zelfs de stad niet waarin het verhaal zich afspeelt. De mensen in Slaap! zijn alleen met zichzelf bezig. Hun slapeloosheid brengt verveling en rusteloosheid met zich mee. Ze kunnen zich nergens op focussen; ze raken door niets meer gepassioneerd.'

Dit soort figuren – loners die zich een leven proberen te verzinnen, tegen de eenzaamheid en verveling in – duikt steeds meer op in hedendaagse verhalen. Heb je daar een verklaring voor? 'Een recensent vond dat mijn personages worden gekenmerkt door de angst voor "zomaar een leven". Ik denk dat het typisch is voor deze tijd dat mensen op een gegeven moment gaan stilstaan, terugkijken en inzien dat ze niet groots en meeslepend hebben geleefd. En dat besef kan verlammend werken. Misschien is dat zelfs dé ziekte van deze tijd. Vorige generaties leken mij sneller tevreden met hun dagdagelijks bestaan.'

Als Benoit en Maya elkaar aan het einde van het boek weer tegenkomen in een louche nachtclub, lijkt het verhaal bijna een pervers liefdessprookje worden. 'Pervers misschien wel, maar met liefde heeft dit boek niets te maken. Het gaat mij om eerder om de verwantschap tussen die twee rusteloze, zoekende zielen. En dat ze elkaar op het einde weer even ontmoeten, betekent zeker niet dat ze samen een gelukkige toekomst kunnen gaan opbouwen. Het laatste woord van het boek is niet voor niets 'misschien'. Het is geen happy end. Ik geloof trouwens niet dat ik ooit een liefdesverhaal met een happy end kan of zal schrijven.’(lacht) ‘Twijfel is mijn standpunt.'

De kritiek is over de hele lijn opvallend positief voor je geweest, maar vooral de Nederlandse pers prijst je regelrecht de hemel in. Wat is het verschil met de Vlaamse critici? 'De Nederlanders vinden mij een beetje exotisch, denk ik. Toen ik het boek net af had, maakte ik me wat zorgen. Ik dacht dat mensen het misschien te depressief en te beklemmend zouden vinden. Maar toen belde mijn Nederlandse uitgever en die zei dat ze er op de uitgeverij vooral goed mee gelachen hadden. Ik begreep het aanvankelijk niet goed; ik dacht dat ik de grap gemist had. In Vlaanderen zijn de reacties iets genuanceerder. Een landgenoot moet waarschijnlijk een beetje in bedwang worden gehouden.'

Tot voor kort was je werkloos en artiest in bijberoep. Mag je je door het succes van Slaap! inmiddels een kleine zelfstandige noemen? 'Ik ben eigenlijk nog steeds werkloos, maar de verkoopcijfers lijken wel verandering te gaan brengen in mijn economische situatie. Ik mag een theatertekst gaan schrijven voor een Nederlands gezelschap, en een scenario van mijn hand, getiteld ‘Dogdreaming’, heeft een subsidie gekregen. Dus die film komt er waarschijnlijk ook. 'Sinds de publicatie van mijn boek blijven de opdrachten en het geluk maar aanspoelen. Zelf in de minst lovende recensie word ik nog een talent genoemd. Soms komt al dat succes mij zelfs wat onecht over. Misschien blijkt het straks wel één grote grap te zijn. Maar tot die tijd zal ik er maar van genieten, zeker?'


Uit een interview met HUMO - 10 januari 2006

Je hebt REUS aangekondigd als een roman over het geweten. ‘Het geweten is een wat ouderwets concept, maar uiteindelijk wordt iedereen vroeg of laat op de proef gesteld: kun je trouw blijven aan je eigen waarden? Soms pas je uit angst je waardestelsel aan, soms halen de waarden het die je als kind al had. In elk geval draagt iedereen zijn geweten onvermijdelijk met zich mee: als je het probeert weg te duwen, zo blijkt in REUS, wreekt het zich des te harder. Hannah probeert een gewetenloos, psychopathisch kreng te worden om alles te kunnen doen wat ze wil. Ze probeert alles te verdringen en helemaal dóór te gaan in het gebrek aan medeleven, ze noemt liefde zelfs een hype. Maar ze kan het emotioneel niet aan om tegen haar integriteit in te gaan. Dat is bij Bret Easton Ellis altijd net zo: gewetenloosheid veroorzaakt depressie, leegte, kilte.’

Is dat geweten verbonden met deze tijd, zoals de slapeloosheid in Slaap? De gewetenloosheid lijkt toe te nemen. Het is ook een interessante strategie: als zelfontplooiing je ultieme doel is, staat het geweten soms in de weg. Daarom schijnt het aantal psychopaten ook gestaag te groeien.’

Helpt de psychopaat uithangen om je als schrijver te ontplooien? ‘Helaas.’ (lacht) ‘Er staan natuurlijk koude en donkere passages en gedachten in dit boek, maar het zou geen goed idee zijn die te censureren om toch maar niet psychopathisch over te komen – je mag een schrijver nooit censureren, denk ik. Ook koude en donkerte zijn menselijk.’ ‘Niemand wil afdrukken van ontsporing,’ luidt het in REUS. Jij dus wel. ‘Eigenlijk zijn al mijn boeken en verhalen afdrukken van ontsporing.’ (lachje) ‘Dat is ook wel de bedoeling: ik vind de ontsporing ontzettend interessant, omdat ze onvermijdelijk is. Er valt ook niet te schrijven over puur geluk, toch niet langer dan een paar alinea’s.’

[…]

Wanneer heb je dat soort levenswijsheid ontwikkeld? Als kind voelde ik mezelf een freak. Ik heb een pigmentstoornis, waardoor ik over mijn hele lichaam vlekken ongekleurde en dus witte huid heb. Ik heb ook een strook wit haar, maar dat verf ik nu. Dat viel erg op, zeker in de zomer. Door bepaalde groepen kinderen werd ik altijd uitgezonderd. Ik heb zeker geen ongelukkige jeugd gehad, ik heb gewoon van jongs af gemerkt dat je voor- en tegenstanders krijgt. Dat confronteert je met je eigen eenzaamheid.’

Heb je daar je voordeel mee gedaan? Ik denk het wel, in sociologisch opzicht is het soms niet oninteressant niet bij een groep te horen; mensen letten niet op hoe ze overkomen bij zo’n uitgezonderde. Het kan ook niet anders dan woede en verdriet meebrengen, en die twee zijn essentieel bij het schrijven. Alleen heb ik de omweg van de satire, de humor en de ironie nodig om die woede te verpakken, anders wordt het tranerig en oninteressant.

Ik heb trouwens de neiging te overdrijven met absurditeiten. (…) Je blijft gefascineerd door waanzin. Ik herken mezelf in labiele mensen. Zoals veel mensen ben ik bang om echt gek te worden, geen enkele controle meer te hebben over bepaalde tendensen in mezelf. Ik wil heus niet in een psychiatrische inrichting zitten, maar het spreekt me wel aan als plaats waar het abnormale wordt aanvaard. Dat gebeurt in de maatschappij niet, terwijl ik er vrij zeker van ben dat we allemaal gek zijn. Je hebt natuurlijk wel gradaties, maar ik heb nog niemand ontmoet die ik echt normaal vond. Je kan iemand trouwens net zo goed een gek als een persoonlijkheid noemen. Schrijven helpt zeker om die tendensen onder controle te houden. Schrijven is voor mij communiceren: met de lezer, maar ook met mezelf. ’t Is een soort meditatie, of gebed, en dat vind ik zeer rustgevend. Als ik een dag goed geschreven heb, voel ik me veel beter.